De Ambachten Oost- en West-IJsselmonde en de Gemeente IJsselmonde

De Ambachten Oost- en West-IJsselmonde en de Gemeente IJsselmonde

 

Oorsprong en ontwikkeling van de ambachtsheerlijkheid

De gemeente IJsselmonde is voortgekomen uit de ambachten Oost-en West-IJsselmonde, die beide van zeer oude datum zijn. De heer C. Hoek, hoofd van het Bureau Oudheidkundig Bodemonderzoek van de Rotterdamse Dienst van Gemeentewerken, heeft een reconstructie gemaakt van de oudste parochie-indeling van het Zuid-Hollandse gebied omstreeks 800. Ondermeer is gebleken dat de parochie Iselmude het gebied van de latere ambachten Oost-Katendrecht, IJsselmonde en Riederambacht besloeg. Volgens een door hem vervaardigde situatieschets van de omgeving van Rotterdam vóór 1164 (zie afbeelding 1) maakte deze parochie deel uit van de noordelijke oever van de Waal; de Nieuwe Maas bestond in deze tijd nog niet. Lek en Hollandse IJssel stroomden via de Waal tussen Oostendam en Heerjansdam naar de Maas bij Poortugaal. Volgens de hypothese van Hoek zou een grote watersnoodramp in 1164 het gehele gebied grondig hebben gewijzigd 1). Van het westen uit brak het zeewater door naar de Stormpolder, waarna het Lek-en IJsselwater langs de nieuw gevormde Nieuwe Maas afstroomde, wat ondermeer tot gevolg had dat IJsselmonde op de zuidoever kwam te liggen.

Kaart IJsselmonde (1164)
Afbeelding 1.

 

Het ambacht IJsselmonde is in het midden van de twaalfde eeuw in het bezit van Hugo van Ysselmond, die het nalaat aan één van zijn beide dochters, Mabelie, gehuwd met Wouter van Egmunde. Dit bezit wordt verdeeld tussen twee jonkvrouwen van Egmond, respectievelijk gehuwd met een voorvader van het geslacht van Voorscoten-van Cralingen en één van het geslacht Bokel 2). Deze twee ambachten worden echter van de heren van Egmond in leen gehouden. Als oudste heren van de gesplitste ambachten zien wij omstreeks 1283 heer Gillis van Voorschoten in Oost-IJsselmonde en heer Gijsbert Bokel in West- IJsselmonde. Dit laatste ambacht is blijkbaar het belangrijkste, want uit een oorkonde van 9 juli 1297 3) blijkt dat graaf Jan I in een geschil tussen de bedeschuldigen van de ambachten beslist dat het Westambacht twee derde in de jaarbede zal bijdragen en het Oostambacht een derde. In de veertiende eeuw worden de ambachten naar hun ambachtsheren genoemd: Ogiersambacht voor Oost-IJsselmonde (Ogier van Cralingen is de Voorschotens opgevolgd) en Bokelsambacht voor West-IJsselmonde.

Het eiland IJsselmonde wordt in deze tijd de Riederwaard genoemd. In de jaren 1373/75 wordt het eiland geteisterd door overstromingen, waardoor de Riederwaard onder water kwam te staan. Hertog Albrecht beveelt de ambachtsheren op 8 februari 1375 4) het land opnieuw te bedijken en stelt ter bevordering van dat werk enige bepalingen als dijkrecht vast. In 1378 5) worden de ambachtsheren naar ‘s-Gravenhage geroepen om met de hertog middelen te beramen voor de bedijking.

Volgens een aantekening uit hetzelfde jaar blijken enige ambachtsheren, waaronder Ogier van Cralingen, bereid te zijn hun ambacht te bedijken. Ondanks alle goede voornemens blijft de zaak slepen en in 1383 6) volgt wederom een aantekening dat de graaf te Dordrecht zijn raad zal bijeenroepen om over de Riederwaard te spreken. Echter tevergeefs, men blijft praten en plannen maken en er komen slechts plaatselijke bedijkingen tot stand in Rhoon en Katendrecht, die weer ten onder gaan bij de St. Elizabethsvloed van 1421. Van een totale herdijking van de Riederwaard kwam niets meer, slechts gedeeltelijke herdijkingen hadden succes. In deze tijd is Jan van der Lecke ambachtsheer van Oost-IJsselmonde, dat hij had verkregen van zijn vader Dirck van der Lecke, die gehuwd was met een dochter van Ogier van Cralingen. West-IJsselmonde is nog steeds in het bezit van de Bokels.

 

De ambachtsheerlijkheid Oost-IJsselmonde

Zoals hierboven reeds is gezegd, besloot men na de totale ondergang van de Riederwaard over te gaan tot gedeeltelijke herdijkingen. In 1435 7) ontstaat er een geschil tussen Hugo van Lannoy, heer van Santes, en Jan van der Lecke over de nalatenschap van wijlen Dirk van Egmond, benevens over het Oostambacht van IJsselmonde en 110 morgen eigen land. Hugo van Lannoy koopt het ambacht van Jan van der Lecke en krijgt van hertog Philips van Bourgondië op 5 december 1435 8) machtiging tot bedijking alsmede een aantal rechten. Maar op 28 april 1437 wordt Godschalck Oem, heer van Wijngaerden, met het Oostambacht beleend door overdracht van Jan van der Lecke als opvolger van zijn moeder de vrouwe van Honingen. Op 27 maart 1439 9) wordt Hugo van Lannoy beleend met de helft van het Oostambacht door overdracht van Godschalck Oem; het leen wordt dus gesplitst en er treden twee ambachtsheren op: Hugo van Lannoy en Godschalck Oem. Op 25 oktober 1441 10) sluiten beide ambachtsheren een overeenkomst, waarin zij de door hen ingedijkte landen verdelen.

Op 10 april 1446 11) breekt de Hordijk van IJsselmonde en Riederambacht na een stormvloed in en loopt het gebied onder. Door bemiddeling van de stad Dordrecht wordt op 21 mei 1446 12) een overeenkomst gesloten tussen de wederzijdse ambachtsheren, dijkbesturen en ingelanden van deze twee ambachten, waarbij o.a. wordt besloten tot gemeenschappelijke schouw, keur en dijkrechten. Aangezien Dordrecht grote sommen had gestoken in de bedijking werd als voorwaarde gesteld dat de bewoners van de polders in deze ambachten voortaan hun koren en zaden uitsluitend in Dordrecht ter markt zouden mogen brengen.

In 1448 13) regelen de twee ambachtsheren van Oost- IJsselmonde het collatierecht en de verdeling van de tienden. Floris van Wijngaerden is inmiddels Godschalck Oem als ambachtsheer opgevolgd en in 1495 14) verwerft hij de andere helft van het ambacht door overdracht van Philips van Lannoy. Nu zijn beide delen van het ambacht weer verenigd en in één hand. Tot 1540 blijft het ambacht in het bezit van de familie Van Wijngaerden, daarna komt het in handen van Hendrik van Merode, die reeds door zijn huwelijk met Françoise van Brederode ambachtsheer van Ridderkerk was geworden. Oost-IJsselmonde en Ridderkerk worden thans door dezelfde ambachtsheer bestuurd, hetgeen mede vereenvoudigd wordt door het reeds genoemde contract van 21 mei 1446.

In 1664 vertrekken de Merode’s naar België en komt de heerlijkheid in het bezit van de Zeeuwse edelman Adriaen Lampsins. Na diens dood wordt Jean de Mey door aankoop ambachtsheer; deze heeft bij zijn testament in 1720 bepaald, dat de heerlijkheid wegens zijn kinderloosheid zal toevallen aan twee kleindochters van zijn zuster t.w. Johanna Hechtermans, gehuwd met mr. Hendrik van der Staal en Cornelia Hechtermans, gehuwd met Claes Bichon. Een clausule in het testament bepaalt dat na overlijden van een van de twee rechthebbenden, de overblijvende de erfgenamen kan uitkopen voor een bedrag van fl. 25.000,=. In 1724 sterft Johanna en Cornelia neemt voor het genoemde bedrag het aandeel van de familie over. En zo komt de heerlijkheid in het bezit van de familie Bichon, waarvan thans de huidige titeldrager mr. R. Bichon van IJsselmonde te Gorssel is.

 

De ambachtsheerlijkheid West-IJsselmonde

Reeds in het begin hebben we gezien, dat de Bokels ambachtsheren van West-IJsselmonde zijn; in 1410 is dit Jacob Bokel Gysbrechtsz. Na de vloed van 1421 komt ook dit gebied voor herdijking in aanmerking en derhalve vraagt de ambachtsheer in 1432 15) toestemming om een dijkgraaf en vijf heemraden te mogen aanstellen, het ambacht te schouwen en een zomerdijk te maken. Dit heeft vermoedelijk betrekking op de bedijking van Dirk Smeetsland, dat als zodanig in 1442 16) wordt genoemd. Op 9 november 1444 17) wordt door Jacob van Gaesbeek omstreeks 160 morgen land, genaamd “dat Westveen van Jacob Bokelsambacht” en gelegen “westwaerts opgaende tot die Monikenblake toe, voirt zuytwaerts omgaende Jacob Bokelsambacht toe”, ter bedijking uitgegeven aan Meester Arend van der Woude.

Dit gebied, oorspronkelijk Nieuw-Katendrecht genoemd, krijgt later de naam van zijn bedijker Meester Arend van der Woudensland. In 1447 18) is de heerlijkheid door huwelijk in het bezit gekomen van Jan van der Boeckhorst. Bij een uitspraak van 25 juli 1449 19) over het oude en nieuwe land wordt duidelijk aangegeven, dat met het oude land Dirk Smeetsland wordt bedoeld en met het nieuwe land Meester Arend van der Woudensland. In oudere stukken spreekt men afwisselend van het Westambacht, Smeetsland of Boeckhorstambacht, verschillende benamingen voor hetzelfde gebied. In een oorkonde van 1 oktober 1464 20) wordt vermeld dat Arent Jacobszoon uit IJsselmonde het Meester Arendsland verkocht heeft aan dijkgraaf en heemraden van Charlois en het Gijsbrecht van Boeckhorstambacht aan dijkgraaf en heemraden van West-IJsselmonde.

In 1465 21) wordt Meester Arend van der Woude afgezet als dijkgraaf van Oud-Katendrecht (= Charlois) en vervangen door Gerbrant Jacobszoon, dijkgraaf van Smeetsland. Charlois en Meester Arend van der Woudensland vielen onder de jurisdictie van Putten, terwijl Dirk Smeetsland en de andere polders onder de jurisdictie van het baljuwschap van Zuid-Holland vielen. In het zelfde jaar gaan beide polders een overeenkomst aan betreffende de waterlozing en de dijkage van beide landen. Daarna vindt er blijkbaar een overstroming plaats, want in een oorkonde van 31 december 1468 22) wordt aan de ingelanden van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland toegestaan het onlangs ondergelopen gebied opnieuw te bedijken.

Na de herdijking van beide polders, die waterstaatkundig een geheel vormen, ontstaan nieuwe aanwassen aan de noordzijde, weldra de nieuwe landen genoemd. Ze zijn tussen 1497 en 1505 ingedijkt en krijgen in later tijd, vanwege hun oppervlakte, de benaming van 68 morgen en 51 morgen. De polder Klein Nieuwland of 51 morgen wordt wellicht voor het eerst genoemd in een akte van 1506 23) waarin o.m. wordt gesproken over 50 morgen land die Floris van Wijngaerden onlangs heeft bedijkt onder IJsselmonde. Het behoorde niet tot de heerlijkheid maar was allodiaal goed van de ambachtsheer. Waterstaatkundig viel het onder West-IJsselmonde. Op de waterstaatkundige verhoudingen in West-IJsselmonde zal ik uitvoerig ingaan bij de beschrijving van de polderarchieven. In 1511 wordt de familie Van Boeckhorst als ambachtsheren opgevolgd door de Van Hargens, althans volgens Baars, 24) want in de stukken is hierover niets te vinden.

In het leenregister 25) duikt in 1522 een Meester Andries van Hargen op als ambachtsheer van West-IJsselmonde, hij wordt in 1525 opgevolgd door zijn zoon Splinter van Hargen. De heerlijkheid vererft vervolgens op de families Bentinck, Van Beveren, Van Slingeland, Van Hardenbroek en tenslotte in 1774 op Maria Christina Pompe van Meerdervoort. Een en ander is na te gaan in de naamlijsten van de ambachtsheren, die ik in Bijlage VIII van de inventaris heb opgenomen. In 1778 verkoopt deze laatste nazaat de heerlijkheid aan mr.Jean Bichon; Oost-en West- IJsselmonde zijn nu in één hand.

 

De ambachtsheerlijkheid Lombardijen

In een stuk van 7 november 1482 26)  verklaren Jacob Damyszoon, als ambachtsheer, en de ingelanden van West-Barendrecht, dat zij verkocht hebben aan de ingelanden van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland het ingedijkte land tussen West-Barendrecht en Lombardijen, met uitzondering van de dijk zelf. In het leenregister 27)  wordt dit gebied als volgt omschreven: “De ambachtsheerlijkheid met de tienden in een stukje land in Dirck Smeetszoons landeke, genaamt Lombardie, tussen de oude dijk van Dirk Smeetszoons land en het ambacht van Karnisse”.

Als eerste ambachtsheer wordt op 14 februari 1487 Jacob Hyemansz. die Gorter genoemd, na overdracht door Jacob Jacobsz. van Minnebeke, die ook ambachtsheer van West-Barendrecht was 28)  en een zoon van degene die bij de verkoop op 7 november 1482 wordt genoemd. De heerlijkheid Lombardijen werd te leen gehouden van het huis Wassenaar en Zuidwijk, tot een onversterfelijk erfleen, te verheergewaden met een zwaan. Lombardijen had een oppervlakte van 21 morgen, waarvan 5 morgen bouwland en bestond in feite uit een hofstede met erf, boomgaard en griend, “staande en gelegen op de oude Smeetlandse Zuiddijk onder West-IJsselmonde”.
Hoewel het als ambachtsheerlijkheid staat beschreven, viel het kerkelijk en gerechtelijk onder West-IJsselmonde. In opdracht van de ambachtsheer werd het toezicht echter uitgeoefend door het dorpsbestuur van Oost-IJsselmonde. Het verhaal gaat, dat Lombardijen altijd tot Smeetsland heeft behoord, doch dat deze polder bij zekere inundatie onmachtig was een ringdijk te laten maken, waarop zich iemand heeft aangemeld om de kosten te dragen op voorwaarde dat hij als heer van dat gebied zou worden erkend en tienden zou ontvangen. Aangezien dit verhaal niet door archiefstukken wordt geboekstaafd, blijft de oorsprong duister;het is mij niet duidelijk hoe de vork in de steel zit. De heerlijkheid bleef in het bezit van de familie Die Gorter tot 1611 en werd toen overgedragen aan Jhr. Maerten van Schouwen van Endegeest. Door vererving kwam deze tiendheerlijkheid aan de familie Van Vilsteren in België en werd in 1735 overgedragen aan Christina van Ruijven. Tenslotte komt zij door aankoop in 1819 in handen van mr. Marinus Cornelis Bichon van IJsselmonde.

 

De ambachtsheerlijkheid Oost-en West-IJsselmonde

Uit het voorgaande is gebleken, dat door verwerving van de ambachtsheerlijkheid West- IJsselmonde op 7 mei 1778 29) het Oostambacht en het Westambacht in één hand zijn gekomen. Tot de rechten van de ambachtsheer behoren het veerrecht, het tiendrecht, het recht van visserij, etc. Een der oudste rechten is het veerrecht, dat oorspronkelijk tot Kralingen behoorde; in 1333 30) schenkt Gilles van Cralingen drievierde deel van het veer IJsselmonde-Kralingen aan zijn vrouw Badeloghe. In 1388 als de dochter van Ogier van Cralingen Oost-IJsselmonde als huwelijksgift meekrijgt, is daar ook het veerrecht bij, maar Kralingen behield de omgekeerde helft.

Er is dus sprake van twee halve veren. Het veerrecht wordt bevestigd bij een akte van 1435 31), ontvangen van Philips van Bourgondië en door erkenning op 4 oktober 1813 bij Keizerlijk Decreet 32) op verzoek van Adriana Catharina Verstolk, weduwe van Johan Adriaan Bichon. In 1668 koopt Rotterdam de heerlijkheid Kralingen met daarbij het halve veer, waarbij de andere helft aan IJsselmonde verbleef. In 1900 voert de ambachtsheer Cornelis Johan Adriaan Bichon van IJsselmonde een geruchtmakend proces om de veerdam, dat hij tenslotte wint. Daarop schenkt hij het betrokken terrein aan de gemeente IJsselmonde en doet afstand van zijn recht.

Het tiendrecht werd genoten door heffing van tienden op gewassen, bijen en lammeren. De tienden waren leenroerig aan Altena; dit kan teruggaan op een laat 9e-eeuws of vroeg 10e-eeuws bezit. Dit in tegenstelling met de ambachtsheerlijkheid, die leenroerig was aan Egmond. Uiteindelijk werden alle tienden door de familie Bichon verkregen door vererving of aankoop. De meeste visserijrechten zijn door de ambachtsheren gekocht. De visserij vóór Barendrecht was eigendom van Herman Coenen, door wiens leenvolgers het in 1534 en 1549 wordt overgedragen aan Hendrik van Merode. Deze sluit in 1537 ook een contract met Joost van Wijngaerden over de visserij in de Merwede tussen Bolnes en Schoonderloo.

Onder de Merode’s zijn vele processen gevoerd over eigendomsrechten en hiermede houdt vermoedelijk verband de in het archief aanwezige oude kaart op perkament, die in kleur de ambachtsheerlijkheden Ridderkerk en IJsselmonde toont, grenzende aan de noordzijde aan de rivieren de Nieuwe Maas en de Noord, welke omstreeks 1570 door de landmeter Jan Potter is vervaardigd 33) mogelijk naar aanleiding van een proces tussen de ambachtsvrouwe van Alblasserdam en de ambachtsheer van Ridderkerk wegens het snijden van gras en riet uit de polder Voor-Donkersloot door bewoners van Ridderkerk (van 1554 tot 1704 waren de heerlijkheden Ridderkerk en Oost-IJsselmonde in één hand).

Nog een enkel woord over de kastelen in de heerlijkheid; in totaal zijn er vier geweest. Het eerste, eigenlijk meer een sterkte, werd gebouwd door de Utrechtse bisschop Willem van Gelder en werd in 1076 34) door graaf Dirk V bij de herovering van Holland ingenomen en geslecht. Het tweede slot werd in 1483 35) door de ambachtsheer Floris van Wijngaerden gebouwd en kort daarna in 1489 door Jonker Frans van Brederode veroverd en verwoest. Het derde kasteel werd in 1550 36) door Hendrik van Merode gebouwd en blijft in het bezit van diens familie tot 1664 37).
De Zeeuwse edelman Adriaen Lampsins koopt het met de ambachtsheerlijkheid voor een bedrag van fl. 108.000,= en laat het vervolgens afbreken, wederopbouwen en verfraaien, zoals te zien is op de bekende krijttekening van Roeland Roghman uit 1670 38). Hoewel een vermogend man kostte de bouw en verfraaiing van het kasteel aan Lampsins zoveel geld, dat na zijn dood zijn weduwe Maria Hooftman met een grote hoeveelheid schulden achterblijft. Zij is gedwongen kasteel en heerlijkheid te verkopen en in 1686 wordt Jean de Mey de nieuwe eigenaar. Vervolgens komt het in het bezit van de familie Bichon, maar na het proces over het eigendomsrecht van de veerdam in 1900 39) laat de ambachtsheer het kasteel afbreken en doet tevens afstand van al zijn rechten. Alleen de titel blijft voor zijn erfgenamen.

 

Ambacht en gemeente

Het bestuur van de ambachten bestond uit verschillende personen en colleges, die door de ambachtsheer werden aangesteld. Aangezien vele ambachtsheren IJsselmonde als zomerresidentie beschouwden werd het bestuur meestal overgelaten aan de rentmeester en een college van schout en heemraden of schepenen. Het ambt van rentmeester ging vaak samen met dat van schout en secretaris, dijkgraaf en notaris, zodat sommigen zich tot ongekroonde koningen wisten te ontwikkelen. Een goed voorbeeld hiervan is Pieter Tijken, die niet alleen bovengenoemde functies vervulde, doch ook nog de functies van baljuw, dijkgraaf, schout en secretaris van de hoge heerlijkheid Albrandswaard benevens dijkgraaf, schout en secretaris van Hoogvliet, Pernis en Poortugaal bekleedde. Tot 1795 bestond er geen scheiding tussen ambacht en polder zodat wij regelmatig dezelfde namen voor functionarissen van dorps-en polderbesturen aantreffen. Het college van schout en heemraden, welke laatste zich in de tweede helft van de 17e eeuw schepenen gingen noemen, hield zich voornamelijk bezig met watertstaatszaken en het dorpsbestuur. Daarnaast was er nog een college van schout en schepenen voor de rechtspraak. De neerslag van hun handelingen vindt men respectievelijk in de resolutie- en schouwboeken van de polders en in het oud-rechterlijk archief.

Eerst in de tweede helft van de 18e eeuw treft men resolutieboeken aan van het eigenlijke dorpsbestuur. De ambachtsheer had naast het recht om plaatselijke regenten en sommige ambtenaren te benoemen ook het collatierecht en het Jus Patronatus; tevens was hij opperkerkmeester. Tot 1795 moesten alle dorps-, kerk- en armenrekeningen aan hem ter goedkeuring worden voorgelegd. De armenzorg was aanvankelijk in handen van de kerk; bij het contract van separatie in 1766 volgt de scheiding in Politieke of Grote Armen en Kerkelijke of Diaconie Armen. Voor dat jaar spreekt men over de gecombineerde armen met als regenten schout en gerechte met predikant en kerkeraad. Na het vertrek van stadhouder Willem V in 1795 nemen de provisionele representanten van het volk van Holland de leiding in handen.

Men stelt een plaatselijke regering of municipaliteit in, die zelf haar ambtenaren aanstelt. De leden hiervan worden door de burgers gekozen door middel van grondvergaderingen en de leden zelf kiezen uit hun midden een president. Vervallen zijn de invloed van de ambachtsheer en van dijkgraaf en hoogheemraden. In 1798 wordt een nieuwe staatsregeling ontworpen, waarbij een reglement op de inrichting van gemeentebesturen wordt uitgevaardigd. De sluiting van de ambachtsrekening geschiedt nu ten overstaan van gecommitteerden uit stemgerechtigde ingezetenen en niet meer door schout, heemraden en ambachtsheer. Op 24 maart 1798 delen de agenten van het Maas-eiland, die belast zijn met de reorganisatie van de municipaliteiten op het Maaseiland in het voormalig gewest Holland, mede, dat Oost-en West-IJsselmonde in het regime worden gecombineerd, doch met opdracht om de resoluties en protocollen apart te houden en derhalve de secretarieën afzonderlijk van elkaar te leiden.

De administraties van beide ambachten blijven dus gescheiden. Alle leden worden van hun post ontheven en door nieuwe vervangen. In deze woelige tijden volgt de ene bestuurswisseling na de andere zoals in 1799, 1804 en 1811. In 1804 wordt een civiele rechtbank ingesteld, bestaande uit een schout en schepenen, die benoemd worden door het Departementaal Bestuur, waarmede de scheiding met het gemeentebestuur een feit is. Na de inlijving bij Frankrijk wordt in 1811 de civiele rechtbank ontbonden en treedt het plaatselijke bestuur af. Er wordt nu een maire benoemd en een municipale raad. Na het herstel van de souvereiniteit in 1814 worden de heerlijke rechten voor een groot deel hersteld en de titel van schout komt weer te voorschijn.

Het oude recht van de ambachtsheer om plaatselijke regenten en andere functionarissen te benoemen wordt na het herstel van de heerlijke rechten omgezet in een recht van voordracht aan de Koning of aan Gedeputeerde Staten en wordt weer als recht van benoeming teruggegeven, voor zover het ondergeschikte bestuurders of beambten betreft. De rechtspersoon, het ambacht van vóór 1795, bleef ook na dat jaar bestaan. De colleges, die de rechtspersoon vertegenwoordigden en bestuurden, veranderden na 1795 van naam, maar niet in wezen. Ook de rechtspersoon zelf, zonder van naam te veranderen, krijgt er na 1803 een naam bij; men spreekt dan van ambacht of gemeente. Eerst na 1811 komen in plaats van deze ene rechtspersoon (ambacht of gemeente) twee andere in de plaats: het ambacht en de gemeente 40).

Om een administratieve chaos te vermijden laat men na 1814 de bestuurders voorlopig zitten. Het reglement van 1816 bepaalt, dat aan het hoofd van een plattelandsgemeente een schout komt te staan, bijgestaan door een secretaris, twee assessoren en een gemeenteraad. In 1817 wordt voor IJsselmonde een nieuw bestuur benoemd, bestaande uit een schout en secretaris, twee assessoren en vijf raadsleden. De benoeming geschiedde door de Koning op voordracht van de ambachtsheer, die van de raadsleden door de Staten eveneens op voordracht van de ambachtsheer. In 1825 volgt een nieuw reglement waarbij de titel van schout in die van burgemeester wordt veranderd. De gemeenteraad zal uit zeven personen bestaan, waaronder de burgemeester en beide assessoren; er valt dus een raadslid af. Bij de herziening van de grondwet in 1848 worden de heerlijke rechten voor het merendeel opgeheven. Voordrachten voor het benoemen van gemeentelijke bestuurders kunnen niet langer meer door de ambachtsheer worden gedaan. In 1851, als de Gemeentewet wordt ingesteld, wordt de naam van assessor gewijzigd in die van wethouder. In 1862 worden de ambachten als zodanig opgeheven en omgezet in polders met een eigen bestuur, waardoor de scheiding tussen gemeente- en waterschapsbestuur defintief is. Het aantal raadsleden is bij het groeien der gemeente gestadig uitgebreid, het laatst in 1891 toen het aantal elf bedroeg.

Aangezien er geen raadhuis in de gemeente voorhanden was vergaderde het dorpsbestuur in het oude rechthuis, dat eigendom was van de familie Bichon. Ook maakte men voor dat doel wel gebruik van herbergen, hetgeen volgens een brief uit 1879 van de Commissaris van de Koningin in strijd was met de waardigheid van de Raad en niet in het belang van de gemeente. In 1883 wordt de woning van oud- burgemeester C.A. Molenaar aangekocht en tot raadhuis verbouwd. In 1938 zijn er nog plannen gemaakt voor de bouw van een nieuw raadhuis, die echter wegens de oorlog en de daarop volgende annexatie geen doorgang vonden 41). Het gemeentewapen is in 1816 officieel vastgesteld: een veld van lazuur met twee banden van keel (=rood), waartussen een klimmende bever van goud. Dit laatste is ontleend aan het wapen van de familie Van Beveren, ambachtsheren van West- IJsselmonde 42). De rode banden kwamen voor op het familiewapen van Egmond, leenheren van Oost-IJsselmonde 43). Het grondgebied van het Westambacht bestond uit de polders Dirk Smeetsland, Varkensoord en de 68 morgen, dat van het Oostambacht uit het oude en nieuwe land van de polder Oost-IJsselmonde, benevens het Klein-Nieuwland of de 51 morgen en het Zomerland.

Bij het proces-verbaal van grensbepaling van 26 oktober 1827 44) werden het eiland Feijenoord en de tiendheerlijkheid Lombardijen bij IJsselmonde gevoegd. Nog een enkel woord over Feijenoord. Toen dit eiland nog een gors was, werd het op 14 juni 1457 45) door Thomas Dobbe verkocht aan de ingelanden van Nieuw-Reijerwaard en Oost-IJsselmonde ten behoeve van de aardhaling voor het repareren en aanleggen van dijken. Op 11 februari 1591 46) wordt tweederde deel van het eiland door Nieuw-Reijerwaard verkocht aan de stad Rotterdam; het resterende deel wordt door Oost-IJsselmonde op 11 maart 1658 47) aan genoemde stad verkocht onder voorwaarde, dat het recht van aardhaling ten eeuwige dage zou blijven bestaan.

Het eiland was door Rotterdam gekocht met het doel om door het aanleggen van strekdammen de waterloop van de rivier in een voor de stad gunstige zin te regelen. In 1714 48) deed de ambachtsheer afstand van de civiele jurisdictie en in 1795 werd het eiland ingedijkt. Het werd van de polders De Hille en Varkensoord gescheiden door het Zwanegat. Hoewel Rotterdam zich door allerlei rechten en overeenkomsten van Feijenoord had meester gemaakt, werd door de Franse tijd een einde aan die rechten gemaakt en kwam Feijenoord bij de gemeente IJsselmonde. In 1865 bestond het grondgebied van de gemeente IJsselmonde (zie afbeelding 2) uit de polder Oost-IJsselmonde met de buitengorzen, de polder Dirk Smeetsland, de polder De Laagjes of de 68 morgen, de polder Klein-Nieuwland of de 51 morgen, de polder het Zomerland, de polder Varkensoord en het eiland Feijenoord, benevens een aantal platen in de rivier, waaruit later het eiland Van Brienenoord 49) zou ontstaan.

Kaart IJsselmonde (1865)
Afbeelding 2.

 

De noordgrens van de gemeente werd gevormd door de rivieren de Nieuwe Maas en de Noord, aan de oostzijde de gemeente Ridderkerk, aan de zuidzijde de gemeente Barendrecht en aan de westzijde de gemeente Charlois. Een deel van de grens met Charlois werd gevormd door de Vliet, de oude limietscheiding tussen de jurisdicties van Putten en Zuid-Holland, waarvan een restant nog aanwezig is als de Lange Geer in Rotterdam-Zuid. Oorspronkelijk stond IJsselmonde geheel onder de invloed van de stad Dordrecht om geleidelijk aan in de invloedssfeer van Rotterdam te geraken. Door de voortdurende expansiedrift van die stad viel de ene polder na de andere aan stadsuitbreiding ten offer. Rotterdam had de grond nodig voor woningbouw en havenuitbreiding en dan was er nog de spoorwegverbinding tussen Dordrecht en Rotterdam, die in de periode 1867-1869 tot stand kwam. De spoorweg liep dwars door de polders Varkensoord, de 68 morgen en Dirk Smeetsland, het oude Westambacht. In 1870 50) werd Feijenoord definitief bij Rotterdam gevoegd. Bij de annexatie van de gemeente Charlois in 1894 ging ook een deel van IJsselmonde t.w. de polder Varkensoord met het spoorwegemplacement en het eiland Van Brienenoord naar Rotterdam. Het overige deel van de gemeente werd op 1 augustus 1941 geheel geannexeerd, waarmede een einde kwam aan de gemeente IJsselmonde.

 

Noten:

(Inventarisnummers verwijzen, tenzij anders vermeld, naar archieftoegang 8, Ambachten Oost- en West-IJsselmonde en Gemeente IJsselmonde, van het Stadsarchief Rotterdam)

  1. Hoek (17), blz. 12 | Renting (32), blz. 193 e.v.
  2. Hoek (16), blz. 56 e.v.
  3. Oorkondenboek (29), deel II, blz. 1805.
  4. Unger (34), regestenlijst IV, blz. 982.
  5. Unger (34), regestenlijst IV, blz. 1005.
  6. Unger (34), regestenlijst IV, blz. 1055.
  7. Inv.nr. 1633, Afschrift van een vijftal akten over de periode 1435-1439 betreffende de uitgifte van het ambacht Oost-IJsselmonde, vervaardigd door de secretaris van hertog Philips van Bourgondië.
  8. Van Mieris (22), deel IV, blz. 1069 e.v.
  9. Inv.nr. 1618, Belening van Hugo van Lannoy door Johan graaf van EgmondInv.nr. 1633, Afschrift van een vijftal akten over de periode 1435-1439 betreffende de uitgifte van het ambacht Oost-IJsselmonde, vervaardigd door de secretaris van hertog Philips van Bourgondië.
  10. Inv.nr. 1634, Overeenkomst tussen Hugo van Lannoy en Godschalk Oem van Wijngaerden wegens de verdeling van de ingedijkte landen van 8 hoeven en 5 morgen in het ambacht.
  11. Regt (31), blz. 185.
  12. Inv.nr. 1770, Akte van overeenkomst tussen Margriete van Comene, ambachtsvrouwe van Ridderkerk, en Godschalk Oem met Hugo van Lannoy, ambachtsheren van Oost-IJsselmonde, met betrekking tot het onderhoud en de schouw over de Hordijk en de eigendom van de Middeldam | Nieuwenhuis (24), blz. 2069.
  13. Inv.nr. 1635, Overeenkomst tussen Hugo van Lannoy en Godschalk Oem, beiden eigenaar van de ambachtsheerlijkheid, wegens de regeling van het collatierecht, de tienden en andere rechten..
  14. Inv.nr. 1636, Akte van transport waarin Philips van Lannoy zijn deel en alles wat hij in het ambacht bezit verkoopt aan Floris Oem, heer van Wijngaerden.
  15. Baars (2), blz. 25.
  16. Baard(2), blz. 28.
  17. Van Ommeren (28), Charlois, regest nr. 1.
  18. Hoek (19), blz. 109 e.v.
  19. Inv.nr. 1852, Uitspraak van burgemeesteren van Dordrecht in een geschil tussen de ingelanden van het Oude en Nieuwe Land van IJsselmonde inzake de dijkage.
  20. Van Ommeren (28), Charlois, regest nr. 14.
  21. Van Ommeren (28), Charlois, regest nr. 15.
  22. Van Ommeren (28), Charlois, regest nr. 17.
  23. Inv.nr. 1781, Akte waarbij Florys van Wyngaerden Florysz. een officie van vijftien rijnse guldens ‘s- jaars vestigt op vijftig morgen land, die hij onlangs heeft bedijkt onder IJsselmonde, ten behoeve van zijn neef Jan Jansz., pastoor te IJsselmonde, om missen te lezen voor het Onze Lieve Vrouwe altaar in die kerk, 1506 april 30, met een akte van Frederik van Baden, bisschop van Utrecht, die de fundatie met al zijn bepalingen ratificeert en pastoor Jan Jansz. in het officie institueert, 1510 februari 20.
  24. Baars (2), blz. 28 en blz. 60.
  25. Hoek (19), blz. 110.
  26. Van Ommeren (28), Charlois, regest nr. 21.
  27. Hoek (20), blz. 66 e.v.
  28. Regt (31), blz. 175.
  29. Inv.nr. 1820, Belening van mr. Jean Bichon van IJsselmonde door de Staten van Holland | Inv.nr. 1823, Stukken betreffende de verkoop en overdracht van de heerlijkheid door Jkvr. Maria Christina Pompe van Meerdervoort aan mr. J. Bichon van IJsselmonde | Baars (2), blz. 102.
  30. Unger (34), regestenlijst IV, blz. 430.
  31. Inv.nr. 1632, Akte van consent van Philips van Bourgondië voor Hugo van Lannoy om het Oost- Ambacht van IJsselmonde, dat hij van Jan van der Leek heeft gekocht, te bedijken.
  32. Holleman (21), blz. 85.
  33. Inv.nr. 1741, Kaart op perkament van IJsselmonde en Ridderkerk, vervaardigd door Jan Potter.
    Potter (1574)
  34. Baars (2), blz. 11 e.v.
  35. Hoek (18), blz. 124.
  36. Verheul (35), blz. 43.
  37. Inv.nr. 1643, Akte van verkoop, gepasseerd voor notaris Pieter van den Dunghen te Brussel, waarin de curator over Isabelle Margriete Françoise de Merode het Oostambacht inclusief het kasteel met inboedel en toebehoren voor een bedrag van fl. 108.000,= verkoopt aan Adriaen Lampsins  | Baars (2), blz. 58.
  38. T.H.A. nr. 1968 en 1582.
  39. Baars (2), blz. 108 e.v.
  40. Blécourt (5), blz. 151 e.v.
  41. Inv.nr. 499, Stukken betreffende de bouw van een nieuw gemeentehuis.
  42. Nieuwenhuis (24), nr. 5, blz. 97/98.
  43. Dek (8), blz. 1.
  44. Inv.nr. 432, Proces-verbaal van grensbepaling van de gemeente, met figuratieve schetsen.
  45. Hazewinkel (15), blz. 1 e.v.
  46. Ten Boom & Woelderink (6), inv.nr. 1510.
  47. Ten Boom & Woelderink (6), inv.nr. 1513.
  48. Ten Boom & Woelderink (6), inv.nr. 1514.
  49. In 1857 koopt Baron van Brienen van de Groote Lindt het recht van visserij op de Nieuwe Maas en laat op een bestaande plaat, de zogenaamde Groene Plaat, een zalmvisserij aanleggen. Hieruit ontstaat later het eiland Van Brienenoord.
  50. Nieuwenhuis (23), blz. 17.

 

Literatuurlijst:

  1. Aa, A.J. van der , Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln en aanhangsel. Gorinchem,1839-1851.
  2. Baars, H.L., Grepen uit de geschiedenis van IJsselmonde, s.l.,s.a.
  3. Beekman, A.A., Het dijk-en waterschapsrecht in Nederland vóór 1795. Den Haag,1904-1907.
  4. Bilderbeek, W.H. van, Geschiedenis der polders Oud-en Nieuw-Reyerwaard, de wijze van bemaling der polders, benevens hunne bestuurders. Dordrecht, 1914.
  5. Blécourt, A.S. de, Ambacht en Gemeente. Zutphen, 1912.
  6. Boom, H. ten en Woelderink, B., Inventaris van het oud archief van de stad Rotterdam, 1340- 1813. 2 dln. Rotterdam, 1976.
  7. Craandijk, J., “De ambachtsheerlijkheid Cralingen en het slot Honingen onder de heeren van de Leek”: Rotterdamsche Historiebladen, 3e afd. Rotterdam, 1880.
  8. Dek, A.W.E., Genealogie der heren en graven van Egmond. ‘s-Gravenhage,1958.
  9. Dijk, K.F. van, Inventaris van de archieven van de Hervormde Gemeente te IJsselmonde, 1808- 1960. Rotterdam, 1978.
  10. Engelbrecht, E.A., De vroedschap van Rotterdam, 1572-1795: Bronnen voor de Geschiedenis van Rotterdam,V. Rotterdam,1973.
  11. Eyck, Jacob van der, Handvesten, Privilegiën, Costumen ende Ordonnantiën van den Landen van Zuyt-Hollandt. Dordrecht, 1628.
  12. Fruin, R., “De Bokels van Rotterdam en hun geslacht”: Rotterdamsche Historiebladen, I. Rotterdam, 1880.
  13. Gottschalck, M.K. Elisabeth, Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland. 3 dln. Assen/Amsterdam, 1971-1977.
  14. Gouw, J.L. van der, De Ring van Putten.: Zuid-Hollandse Studiën, XIII. ‘s-Gravenhage, 1967.
  15. Hazewinkel, H.C., “Feyenoord”.: Rotterdamsch Jaarboekje, 4e reeks, V.1937; VI.1938; VII.1939.
  16. Hoek, C., “De oudste heren van Rhoon. Een bijdrage tot de geschiedenis van enkele geslachten, gegoed in de verdronken Riederwaard” : De Nederlandsche Leeuw, LXXXVI. (1969)
  17. Hoek, C., Een eiland in de delta. Rotterdam, 1973.
  18. Hoek, C., “Oudheidkundig bodemonderzoek te Rotterdam en omgeving in 1973”: Rotterdams Jaarboekje, 8e reeks, II. 1974.
  19. Hoek, C., “Repertorium op de lenen van de Hofstad Egmond in Delfland, Schieland, Putten en IJsselmonde”: Ons Voorgeslacht, XXXI,1976.
  20. Hoek, C., “De leenkamers van de heren van Wassenaar”: Ons Voorgeslacht, XXXIII,1978.
  21. Holleman, F.A., Rechtsgeschiedenis der heerlijke veren in Holland. s.l. (1928) Diss.
  22. Mieris, F. van, Groot Charterboek der graaven van Holland, van Zeeland en heeren van Vreisland…4 dln. Leiden, 1753-1755.
  23. Nieuwenhuis, Jan, Van poort tot poort. Rotterdam/’s-Gravenhage, 1961.
  24. Nieuwenhuis, J.G.B., Catalogus van de handschriftenverzameling (der Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam), 2 dln. Rotterdam, 1970.
  25. Nieuwenhuis, J.G.B, en Nieuwenhuis-Verveen, G.W.J., “Van Riederwaard tot Rotterdamse stadswijk; de ontwikkelingsgang van IJsselmonde, Charlois en Katendrecht”: uitgave van de Stichting Restauratie Adriaen Janszkerk. s.l. 1977.
  26. Nieuwenhuis-Verveen, G.W.J., “Van ambachtsheren en predikheren”: uitgave van de Stichting Restauratie Adriaen Janszkerk. s.l.1976.
  27. Ollefen, L. van, De Nederlandsche Stad-en Dorp-Beschrijver, I. Amsterdam, 1793.
  28. Ommeren, H.R. van, Het archief en de handschriften van de grondheerlijkheid “Charlois en annexe polders”, 1460-1887. Rotterdam, 1964.
  29. Oorkondenboek van Holland en Zeeland, L.P.C. van den Bergh, ed. 2 dln. ‘s-Gravenhage, 1873.
  30. Ramaer, J.C., Geographische Geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de Middeleeuwen.Verh.Kon.Ak.van Wetenschappen afd.Letterkunde, nieuwe reeks, II nr.3. Amsterdam, 1899.
  31. Regt, J.W., Geschied-en aardrijkskundige Beschrijving van den Zwijndrechtschenwaard, den Riederwaard en het land van Putten over de Maas. Zwijndrecht, 1848.
  32. Renting, R.A.D., “De grenzen van de jurisdictie van Rotterdam”: Rotterdams Jaarboekje, 8e reeks, VI. Rotterdam, 1978.
  33. Teixeira de Mattos, Jhr.L.F., De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, VI (IJsselmonde). ‘s-Gravenhage, 1920.
  34. Unger, J.H.W., Regestenlijst voor Rotterdam en Schieland tot in 1425: Bronnen voor de geschiedenis van Rotterdam, IV. Rotterdam, 1907.
  35. Verheul Dzn., J., IJselmonde, Ridderkerk en Barendrecht alsmede verdwenen en nog bestaande merkwaardigheden in het oostelijk gedeelte van het eiland IJselmonde. Rotterdam, 1935.
  36. Vrankrijker, A.C.J.de, Geschiedenis van de belastingen. Fibulareeks X. Bussum, 1969.
  37. (Wagenaar, J., e.a.), Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden. 23 dln. Amsterdam, 1739-1803.
  38. Woelderink, B., Inventaris van het archief van het Huis ten Donck. Rotterdam, 1968.

Ontworpen door Henk Kuiper Webs