De Polders van IJsselmonde

De Polders van IJsselmonde

 

De Riederwaard

Vóór 1164 1) maakte het gebied van de latere ambachten Oost-Katendrecht, IJsselmonde en Riederambacht deel uit van de noordelijke oever van de Waal; de Nieuwe Maas bestond in deze tijd nog niet. Lek en Hollandse IJssel stroomden via de Waal tussen Oostendam en Heerjansdam naar de Maas bij Poortugaal. Volgens de hypothese van C. Hoek 2) zou een grote watersnoodramp in 1164 het gehele gebied grondig hebben gewijzigd. Van het westen uit brak het zeewater door naar de Stormpolder, waarna Lek- en IJsselwater langs de nieuw gevormde Nieuwe Maas afstroomde, wat tot gevolg had dat IJsselmonde op de zuidoever kwam te liggen.

Kaart IJsselmonde (1164)
Afbeelding 1

Het eiland IJsselmonde werd in die tijd de Riederwaard genoemd. In een akte van 5 november 1214 3) betrekking hebbend op het huwelijksverdrag tussen Floris, zoon van graaf Willem van Holland, en Machteld, dochter van hertog Hendrik van Brabant komt dit gebied voor het eerst voor onder de naam van Rederweert. In deze Riederwaard bevond zich een aantal ambachten of heerlijkheden zoals Oost- en West-IJsselmonde, Riederambacht of Ridderkerk, Oost- en West-Barendrecht, Oost- en West-Katendrecht, Carnisse, Pendrecht en Rhoon 4).

Regelmatig werd dit gebied geteisterd door rivieroverstromingen en stormvloeden, o.a. in 1287/1288 waarbij een stormvloed dijkbreuken veroorzaakte. Rivieroverstromingen worden in West-Europa vóór 1214 niet vermeld, wat niet wil zeggen dat ze niet optraden. Rechtstreekse mededelingen betreffende rivieroverstromingen in Nederland bezitten wij vóór het jaar 1281 5) niet. Op 2 februari 1373 brak de Riederwaard in door rivieroverstroming, gevolgd door overstromingen op 6 januari en 18 februari 1374 en een stormvloed op 9 oktober 1374. Na de schade, die hierdoor was aangericht, kreeg de waard de genadeslag bij de stormvloed van 8/10 oktober 1375. Tengevolge van deze stormvloed raakten voor langere tijd overstroomd: Ridderkerk, Donkersloot, Pendrecht, Rhoon en Strienemonde, benevens ‘s-Gravenambacht en Katendrecht. De oorzaak zou de onachtzaamheid geweest zijn, waarmee in Holland, Zeeland en Putten de moer- en zoutnering werd uitgeoefend 6).

De ramp van 1375 werd het voorspel van de ondergang van de Grote of Zuidhollandse waard in 1421 7). Hertog Albrecht gaf aan alle ambachtsheren van de Riederwaard bevel aan de bedijking deel te nemen; deden zij dit niet, dan moesten zij van hun rechten afstand doen ten gunste van de landsheer. In 1378 8) werden de ambachtsheren naar ‘s-Gravenhage geroepen om met de hertog middelen te beramen voor de bedijking. Ondanks alle goede voornemens bleef de zaak slepen en in 1383 9) volgt wederom een aantekening dat de graaf te Dordrecht zijn raad zal bijeenroepen om over de Riederwaard te spreken. Er komen slechts plaatselijke herdijkingen tot stand zoals de polder Oud-Reijerwaard in 1403. Het herdijkingsoctrooi voor de Riederwaard werd op 9 december 1403 10) verleend, maar de uitvoering van dit plan werd echter vertraagd door de stormvloed van 1404 11). Hierdoor werd aan de reeds aangelegde dijk zware schade aangebracht. Bij de hierop volgende St. Elisabethsvloed van 19 november 1421 werd alles opnieuw overstroomd.

Na de St. Elisabethsvloed lag een groot deel van IJsselmonde onder water of was “rijdende” zoals de vakterm luidde. Op 10 januari 1424 ontbood hertog Jan van Beieren allen, die rechten op het verdronken land meenden te hebben, naar Den Haag om de herdijkingsplannen te bespreken. Van meet of aan horen wij over onenigheden betreffende de herstelwerkzaamheden en grote onwilligheid; en vervolgens over abandon 12). Voor zover de bevolking niet door verdrinking was omgekomen, zal het verlies van have en goed de meesten arm en machteloos hebben gemaakt, zodat de grondeigenaars niet in staat waren geld uit te geven voor herstel. De politieke tegenstellingen moeten mede een remmende factor voor doortastend optreden hebben gevormd. De hulp van de Hollandse steden schijnt slechts traag en aarzelend in beperkte mate te zijn toegezegd, maar nog voordat hiervan iets terecht kon komen, sloeg het noodlot andermaal toe in de vorm van de stormvloed van 18 november 1424. Ter gelegenheid van zijn bezoek aan Dordrecht vaardigde Philips van Bourgondië op 11 november 1425 13) een oorkonde uit, waarin de hertog op zich nam de kosten te dragen voor de herdijking van het door onwilligen verlaten land. Dordrecht en anderen hadden reeds grote sommen uitgegeven om de verdronken landerijen in de Grote Waard en de Riederwaard terug te winnen, maar deze waren totaal verloren. De hertog beloofde daarom een bedrag van 28000 kronen dat na de beëindiging van de burgeroorlog met Jacoba van Beieren in twee termijnen beschikbaar zou worden gesteld. Het overige Holland zou mede bijdragen om de beloofde som op te brengen; wederkerig zou de waard hulp verlenen als eventueel later elders in Holland dijken moesten worden hersteld. Overigens kwam na de Zoen van Delft in 1428 het beloofde geld niet ter beschikking. Na deze teleurstellende ervaring zal Dordrecht ongetwijfeld verdere stappen hebben ondernomen.

In 1427 14) stond Philips van Bourgondië aan de bewoners van het nieuwe land van Riederwaard (dit moet de polder Oud-Reijerwaard zijn, die in 1403 werd herdijkt) toe in Dordrecht te vergaderen en nieuwe heemraden te kiezen, in plaats van op de Waaldam, de gebruikelijke vergaderplaats. Klaarblijkelijk waren de vergaderingen te Dordrecht een noodmaatregel, omdat de eigen polder overstroomd lag.

Van een totale herdijking van de Riederwaard kwam niets meer; zelfs de naam ging verloren en leeft nog slechts voort in de polder Oud- en Nieuw-Reijerwaard. Slechts gedeeltelijke herdijkingen hadden succes; zo werden achtereenvolgens de polders van Oost- en West-IJsselmonde in de periode 1436-1600 ingedijkt.

 

Oost-IJsselmonde

Op 5 december 1435 15) wordt aan Hugo van Lannoy, heer van Santes en Beaumont, door hertog Philips van Bourgondië octrooi verleend voor de bedijking van Oost-IJsselmonde. Lannoy had het Oostambacht gekocht van Jan van der Lecke, wiens vader gehuwd was met de dochter van Ogier van Cralingen; vandaar de naam Ogiersambacht 16). Het octrooi hield onder meer in, dat de nieuwe ambachtsheer een dijkgraaf en twee heemraden mocht aanstellen. Het is mogelijk dat de bedijking in twee fasen heeft plaats gevonden, want de polder bestaat uit twee delen: het Oudeland en het Nieuweland, van elkaar gescheiden door het Kerkedijkje. Het Nieuweland zou dan omstreeks 1440 bedijkt kunnen zijn. Er treden in deze tijd twee ambachtsheren op: Hugo van Lannoy en Godschalck Oem, heer van Wijngaerden 17).

Op 26 juli 1441 18) wordt een overeenkomst gesloten tussen Godschalck Oem met een deel van de geërfden uit het Oostambacht van IJsselmonde en dijkgraaf met hoogheemraden van Riederambacht over het aanhechten van de nieuwe dijk van Riederambacht aan de dijk van IJsselmonde bij Bolnes. Op 25 oktober 1441 19) sluiten beide ambachtsheren van Oost-IJsselmonde een overeenkomst, waarin zij de door hun ingedijkte landen verdelen.

Op 10 april 1446 20) breekt de Hordijk van IJsselmonde en Riederambacht in na een stormvloed, die het gehele Nederlandse kustgebied teisterde, waarbij beide polders onderliepen. De ingelanden van IJsselmonde, die in verhouding tot de oppervlakte zeer grote dijkkavels moesten onderhouden, waren niet in staat voldoende zorg te dragen voor de veiligheid van het land en het herstel van de Hordijk. Daarom werd door bemiddeling van de stad Dordrecht op 21 mei 1446 21) een overeenkomst gesloten tussen de wederzijdse ambachtsheren, dijkbesturen en ingelanden van Oost-IJsselmonde en Riederwaard, waarbij men overeen kwam gezamenlijk de Hordijk te leggen en over de landen van beide ambachten één schouw te drijven door een college van heemraden, waarvoor Riederambacht jaarlijks vijf en IJsselmonde twee heemraden zou kiezen. Riederambacht zou 200 roeden van de Hordijk onderhouden, behalve de 51 roeden vóór het ambacht, die het reeds toegedijkt had. Voorts zou ieder ambacht zijn eigen dijk onderhouden, terwijl de wielen, die in de dijk zouden vallen, door beiden zouden worden gedijkt en gelijk bekostigd. De schouw over de 200 roeden zou gedreven worden door beide dijkgraven met de zeven heemraden. De Middeldijk tussen beide ambachten zou door hen half en half gebruikt, verhuurd en zo nodig verhoogd mogen worden. De bedijking had voornamelijk plaats gehad met financiële bijdragen van aanzienlijke inwoners van Dordrecht; een der voorwaarden was dan ook dat een aantal hoogheemraden binnen die stad moest wonen. Bovendien moesten de bewoners van de polders hun koren en zaden uitsluitend in Dordrecht ter markt brengen.

Op 21 november 1446 werd een overeenkomst gesloten tussen Riederambacht, Oost- & West-IJsselmonde en Barendrecht, waarbij een generale orde op de schouw van de gezamenlijke dijken werd gesteld, opdat toekomstige schade zou worden vermeden 22).

Volgens een akte van 1 maart 1450 23) hadden Riederambacht en IJsselmonde een stuk land van dertien morgen aangekocht met het oog op de verzwaring en verhoging van de Hordijk. Daar na de stormvloed van 1446 reeds een regeling over de dijk was getroffen, schijnt de storm van 1449 aanleiding te zijn geworden voor de verdere versterking van de dijk.

Op 14 september 1459 24) werd een contract gesloten tussen de polders Nieuw-Reijerwaard en Oost-IJsselmonde enerzijds en Katendrecht, gelegen in de heerlijkheid van Charlois (niet te verwarren met het huidige Katendrecht) en in de heerlijkheid van Ghijsbert van Boeckhorst in het Westambacht van IJsselmonde over de bedijking van het nieuwe land, het leggen van sluizen en de doorwatering naar de Smeetslandse boezem; voorts het recht van aardhaling (tot nu toe hadden Oost-IJsselmonde en Riederwaard aarde uit dit nieuwe land gehaald voor het onderhoud van hun dijken) en de aanstelling van een heemraad, die de eed zal doen aan de dijkgraaf van Riederambacht en Oost-IJsselmonde.

Het beheer van de polder was volgens het contract van 10 april 1446 in handen van een dijkgraaf en twee heemraden. Deze heemraden hadden ook zitting in het college van de zeven gemenelandsheemraden van Oost-IJsselmonde en Riederwaard. Op 22 februari 1609 25) stelden dijkgraaf en heemraden van Oud- en Nieuw-Reijerwaard voor om het college van gemenelandsheemraden, dat hun te groot scheen en om de kosten te drukken, voortaan te laten versterven op zes personen en wel drie van Nieuw-Reijerwaard (waarvan twee wonende in Dordrecht en een ten plattenlande), twee van Oud-Reijerwaard (waarvan een te Dordrecht en een ten plattenlande) en een van Oost-IJsselmonde (wonende te Dordrecht of ten plattelande). Aangezien dit voorstel voor IJsselmonde nadelig was, werd het op 20 april 1609 verworpen. Men stelde toen voor dat ieder ambacht zijn eigen kosten en vacatiegelden zou betalen. Dit voorstel werd aangenomen en sindsdien bestond het college van dijkgraaf en hoogheemraden uit een dijkgraaf, twee hoog(dijk)heemraden, een secretaris en een waardsman of penningmeester. Het zorgde voor het beheer van de buitendijken met de schouw daarover; verder het maken van keuren en het houden van rechtdagen benevens de zorg over het archief. De rechtdagen werden doorgaans gehouden in de Wijnkoperskapel te Dordrecht 26). Daarnaast bestond er nog uitsluitend voor de polder een college van schout en laagheemraden dat zorg droeg voor de wateringen en de molens. De twee hoogheemraden waren tevens laagheemraden, zodat er in totaal vijf laagheemraden waren.

De grondslag voor hun bevoegdheden vormde de in vereniging met Oud- en Nieuw-Reijerwaard gemaakte Generale Keur van 13 juni 1633 27). De polder had zijn eigen penningmeester, die door de ingelanden werd benoemd. Op 8 juli 1784 werd de Generale Keur herzien en dit herhaalde zich op 7 januari 1854 nadat op 30 mei 1851 een reglement op het bestuur van het waterschap Oost-IJsselmonde was vastgesteld. Op 5 november 1857 volgde de reglementering van de polder door de Provinciale Staten, hetgeen tot gevolg had dat de colleges van dijkgraaf en hoogheemraden en van dijkgraaf en laagheemraden in 1858 werden opgeheven. Hiervoor in de plaats kwam een nieuw bestuur, bestaande uit een dijkgraaf en vijf heemraden, door de Koning te benoemen. Op 17 november 1891 werd dit besluit herzien, omdat verzuimd was in het reglement van 1857 te voorzien in de regeling van het recht van medeschouwdrijven over de rivierwaterkeringen van de polders Oost-IJsselmonde en Oud- en Nieuw-Reijerwaard, met welk recht de besturen van beide polders reeds in 1446 waren begiftigd. Door dat verzuim was dus de gemeenschappelijke schouw komen te vervallen. De schouw vond driemaal per jaar plaats: de Meikeurschouw in juni, de St. Janschouw in juli en de Zeebraakschouw in oktober. De beide eerste werden gedreven over de binnendijken en wegen, de laatste alleen over de ring- of zeedijk. Het aldus herziene reglement hield stand tot 1915, toen het, gelijk en in overeenstemming met dat van de polder Oud- en Nieuw-Reijerwaard, andermaal werd herzien. In overeenstemming met de wens van de vergadering van stemgerechtigde ingelanden werd ook in polder Oost-IJsselmonde het aantal heemraden van vijf op vier teruggebracht, zodat het gezamenlijke bestuur, dat de dijken schouwde, in elke polder ook evenveel leden telde.

De bemaling had vroeger plaats door een gang van twee windwatermolens, waarvan de ondermolen op ca. 325 m. ten oosten van de Oostpoldersedijk aan het Kerkdijkje stond, welke uitsloeg op een omkade lage boezem, die zich langs die dijk noordwaarts uitstrekte tot aan de Veenwetering. Aan die wetering stond op ongeveer 200 m. beoosten uit de dijk de boven- of hoge molen, die het water uit de lage in een eveneens omkade hoge boezem opvoerde, welke hoge boezem verder noordwaarts langs de dijk liep tot aan de uitwateringssluis in het dorp IJsselmonde, waardoor het water vrij in de rivier loosde. Deze windbemaling bleek in de tweede helft van de 19e eeuw niet meer aan de behoefte te voldoen, zodat in 1869 een onderzoek werd ingesteld naar een meer doeltreffend middel. Het gevolg hiervan was de stichting van het bovenstoomgemaal in 1869. In 1883 werd een benedenstoomgemaal gebouwd, dat de naam kreeg van “Bichon van IJsselmonde”. In 1921 werd een electrisch ondergemaal gebouwd, terwijl de electrificatie van het bovenstoomgemaal in 1929 plaats vond. De maalkolk lag tussen de hoofdwaterkering en het stoomgemaal en loosde op de Nieuwe Maas door een overwelfde stenen duikersluis.

Inmiddels verloor de polder geleidelijk grond en eigendommen aan de voortwoekerende urbanisatie, welke nog versneld werd door de annexatie van de gemeente IJsselmonde in 1941 door Rotterdam. De inundaties in de oorlog veroorzaakten grote schade; in de periode 1946-1952 volgde echter het herstel en verbetering van de afwatering. De watersnood van 1953 had tot gevolg dat de dijken van het eiland drastisch moesten worden verhoogd. Met de zorg voor de waterkering van het eiland werd belast het bij besluit van de Provinciale Staten van Zuid-Holland van 29 juni 1954 ingestelde waterschap “De Dijkring IJsselmonde”. De taak van dit waterschap omvatte onder meer: de instandhouding van de hoofdwaterkering ter bescherming van het daarbinnen gelegen gebied van het eiland IJsselmonde tegen water buiten dat gebied en het zodanig in waterkerende staat houden van de binnenwaterkeringen, dat deze voortdurend in staat zijn overstromingswater te keren.

Binnen de waterkering kwam een veertiental gereglementeerde polders te liggen, waaronder Oost-IJsselmonde. In 1960 moest wegens de aanleg en bouw van de Van Brienenoordbrug een omvangrijk verkeersplein worden aangelegd op de plaats waar zich het gemaal bevond, waardoor een oplossing voor de bemaling moest worden gezocht. Daartoe werd op 14 november 1961 een bemalingsovereenkomst gesloten tussen de besturen van de polders Oost-IJsselmonde en Oud- en Nieuw-Reijerwaard. Er werd een nieuwe onderbemaling gesticht aan het Bolnesserdijkje en de bemaling vond plaats door de polder Oud- en Nieuw-Reijerwaard via het gemaal te Bolnes. Het gebied ten zuiden en ten westen van de Rijksweg was grotendeels bebouwd en werd bemalen door de gemeente Rotterdam, omvattende 346 ha, zodat aan zuiver poldergebied 204 ha overbleef. In 1972 kwam een ontwerp ter tafel voor een polderconcentratie op het eiland. Bij Statenbesluit van 15 maart 1973 werd de polder Oost-IJsselmonde opgeheven en met ingang van 1 januari 1974 gingen de werkzaamheden en bevoegdheden van de polder over naar het Waterschap IJsselmonde.

 

Het eiland Feijenoord

Voor het onderhoud van de dijken werd vaak aarde gebruikt uit de omliggende gorzen, hetgeen dikwijls tot meningsverschillen leidde met de eigenaren van die gorzen. Derhalve werd in 1457 het gors “Fynoert” voor dat doel aangekocht door de ingelanden van Nieuw-Reijerwaard en Oost-IJsselmonde. Dit gors was op 1 maart 1450 28). door vrouwe Dierick van Rijede, weduwe van Aernt van Krueningen, ridder, verkocht aan Thomas Dobbe, die het op zijn beurt op 14 juni 1457 29). verkocht aan bovengenoemde ingelanden. Nieuw-Reijerwaard kreeg tweederde deel tot zijn beschikking en Oost-IJsselmonde een derde deel. Sindsdien werd het gors voor aardhaling benut en aan particulieren verhuurd, maar wegens de verre afstand en ook omdat men nog het recht van aardhaling bezat uit dichterbij gelegen gorzen, werd op 1 december 1590 het tweederde deel van Nieuw-Reijerwaard verkocht aan Johan van Duvenvoorde, heer van Warmond en Jacobswoude, waarbij de polder het recht van aardhaling bleef behouden.

De overdracht vond plaats op 11 februari 1591 30) voor schout en heemraden van West-IJsselmonde. Inmiddels was gebleken dat Johan van Duvenvoorde als stroman was opgetreden voor de stad Rotterdam bij de aankoop 31) van het Nieuw-Reijerwaardse deel van Feijenoord; Rotterdam wilde nu ook graag het resterende derde deel van Oost-IJsselmonde in zijn bezit hebben, doch het duurde nog een kleine zeventig jaar voor het zover was. Op 11 maart 1658 32) werd de koopakte gepasseerd voor schout en gerechte van West-IJsselmonde, waar Feijenoord publiekrechtelijk onder viel. Eerst in 1714 33) slaagde Rotterdam erin de ambachtsheer van West-IJsselmonde te bewegen afstand te doen van de civiele jurisdictie.

 

De vier polders onder West-IJsselmonde

Het oudste en belangrijkste deel van dit gebied is Dirk Smeetsland, dat voor het eerste genoemd wordt in een oorkonde van 29 maart 1444 34) waarin Jacob van der Wena, ambachtsheer en dijkgraaf van het Westambacht van IJsselmonde, Jan Bartoutsz., mr.Arent van der Woude en Pieter Laurentszoon, dijkheemraden aldaar, verklaren dat voor hen gekomen zijn Jan van Veldwijc, waarsman van Nieuw-Riederwaard, en Dirck Smeets van Hamert die mededelen, dat zij de dijk van acht en een half hond land, dat zij gezamenlijk bezitten in het ambacht van IJsselmonde, hebben gekaveld.

Op 9 november 1444 35) wordt door Jacob heer van Gaesbeek, Abcoude, Putten en Strijen omstreeks 160 morgen land, genaamd het Westveen van Jacob Bokelsambacht, gelegen “westwaerts opgaende tot die Monikenblake toe, voirt zuytwaert omgaende Jacob Bokelsambocht toe” ter bedijking uitgegeven aan Meester Arend van der Woude. Dit gebied, oorspronkelijk Nieuw-Katendrecht geheten, kreeg naderhand de naam van zijn bedijker Meester Arend van der Woudensland. Het mocht bedijkt worden tot een zomer- of winterland. Het ging overigens met de bedijking van deze landen niet zo vlot, er waren moeilijkheden met Arend van der Woude en mogelijk heeft de doorbraak van de Hordijk van Oost-IJsselmonde in 1446 ook vertraging opgeleverd. In 1450 36) wordt bij de overdracht van het gors Feijenoord aan Thomas Dobbe vermeld, dat in deze transactie eveneens begrepen is een kwart van West-IJsselmonde, dat men Jacob Bokelsambacht placht te noemen en nu aan Jan van der Boechorst toebehoort, benevens acht morgen land, gelegen in het bedijkte zomerland van dit ambacht, dat gekocht is van Gilles Daemsz. en nu gebruikt wordt door Dirck Smeetszoon; voorts nog een aantal andere percelen, die Riederambacht en IJsselmonde gekocht hebben om hun Hordijk te maken. Eerst in 1459 is de bedijking voltooid.

Op 19 juli 1464 37) werd een bemalingscontract gesloten tussen de besturen van de polder Ridderkerk en die van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, waarbij Ridderkerk één molen of meer mag zetten en de andere partij mag malen in de putten, die aan Ridderkerk toebehoren. Voorts mag Ridderkerk uitwateren door beide polders en een kade leggen, waarvan zij driekwart van de kosten, die hieraan verbonden zijn, voor haar rekening zal nemen.

In 1465 38) wordt Arend van der Woude, over wie klachten waren ingekomen, afgezet als dijkgraaf en vervangen door Gerbrant Jacobsz., dijkgraaf van Dirk Smeetsland, waarbij de polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland waterstaatkundig een geheel gaan vormen. Charlois en Meester Arend van der Woudensland vielen onder de jurisdictie van Putten, terwijl Dirk Smeetsland met de overige polders van het West- en Oostambacht van IJsselmonde onder de jurisdictie van het baljuwschap van Zuid-Holland viel. Op 21 oktober 1468 39) breekt de dijk van en lopen beide polders onder; het volgend jaar wordt de dijk hersteld.

Op 7 november 1482 40) kopen de ingelanden van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland van Jacob Dammasz. ambachtsheer van West-Barendrecht en diens ingelanden een perceel ingedijkt land, genaamd Lombardijen. Over dit merkwaardige gebied, dat naderhand nog een tiendheerlijkheid blijkt te zijn, wordt uitvoerig ingegaan in de inleiding van de inventaris van het gemeente- en heerlijkheidsarchief van IJsselmonde 41).

Na elke indijking vormen zich schorren en aanwassen, die na verloop van tijd worden ingedijkt. Op deze wijze ontstonden de kleine Nieuwelanden, die eigendom waren van Jacob van Wijngaerden en zijn broeders, en als zodanig voorkomen in het contract van 13 juni 1499 42) dat Jacob van Wijngaerden c.s. sloten met Riederwaard en Dirk Smeetsland. De bedijking van dit gebied geschiedde vóór 1505. Op een kaart uit 1564, die gemaakt is naar aanleiding van een geschil tussen de besturen van Nieuw-Riederwaard en Smeetsland, is duidelijk te zien dat deze nieuwelanden tegen de oude zeedijk liggen. Inmiddels zijn er geschillen ontstaan tussen de ingelanden van de kleine Nieuwelanden enerzijds en die van Riederwaard, Charlois en Dirk Smeetsland anderzijds betreffende de watergang, kaden, sluizen en de schouw. Het geschil wordt beslecht door de stadsregering van Dordrecht in een uitspraak van 29 augustus 1505 43) Aan het einde van de 15e eeuw hadden de polders Nieuw-Reijerwaard, Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland een gemeenschappelijke boezem aan de Hordijk, waarop zij hun water uitmaalden door middel van een kreek en een sluis. Bij de bedijking van de kleine Nieuwelanden werd de sluis verplaatst naar de nieuwe dijk en werd de kreek van nieuwe kaden voorzien.

Bij het contract van 24 april 1536 44) tussen de ingelanden van de kleine Nieuwelanden en die van Smeetsland wordt bepaald dat de lasten van de bedijking voor drievierde zullen worden gedragen door Smeetsland en voor eenvierde door de kleine Nieuwelanden. In 1584 45) wordt een nieuw contract opgesteld, waarin de overeenkomst van 19 juli 1464 wordt bevestigd. De kleine Nieuwelanden krijgen later, vanwege de grootte van hun oppervlakten, de benaming van de 68 Morgen en de 51 Morgen.

De polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland grensden aan de westzijde tegen de polder Charlois en aan de oostzijde tegen de polder Oost-IJsselmonde. Aan de noordzijde vormde de Smeetslandsedijk de waterkering tegen de Nieuwe Maas en aan de zuidzijde was dit het geval met de Blindedijk en de Achterweg tegen de Oude Maas. De bemaling vond plaats door een gang van twee molens op een boezem, die zich langs de oostzijde tegen de Oostpoldersedijk uitstrekte en waarop ook Nieuw-Reijerwaard door een molen aan de Hordijk zijn water kon uitslaan. Deze boezem loosde door een noordwaartse kreek op de Nieuwe Maas. Door inpoldering van het binnenland van Barendrecht omstreeks 1483 aan de zuidzijde en naderhand van de twee kleine Nieuwelanden aan de noordzijde werden de Blindedijk en de Achterweg slaperdijk evenals het noordelijk deel van de Smeetslandsedijk; derhalve werd de waterkering aan de noordzijde verplaatst langs de Groenedijk en de Dwars- of Kreeksedijk. Het westelijk deel van de Smeetslandsedijk bleef zijn functie van hoofdwater-kering behouden tot de inpoldering van de nieuw gevormde aanwassen, de latere polders Varkensoord en Karnemelksland. Na de bedijking van de twee kleine Nieuwelanden en de verlenging van de boezem met verplaatsing van de sluis, werd het water afgemalen van Nieuw-Reijerwaard, eerst door één molen en van 1464 af door twee molens aan de Hordijk; van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland samen door een gang van twee molens, van de 68 Morgen en de 51 Morgen elk door één molen.

In de loop der jaren werden moeilijkheden ondervonden bij het afwateren van het boezemwater op de Nieuwe Maas, vooral als het oppervlaktewater van die rivier te hoog bleef, waardoor in de polders grote wateroverlast ontstond. De gezamenlijke polderbesturen besloten hiertegen maatregelen te nemen door het peil op de boezem enige duimen te verhogen. Aangezien de molens van Nieuw-Reijerwaard ongeschikt werden bevonden om hoger te malen, stelde de polder Dirk Smeetsland voor, dat het peil 5 à 6 duim verhoogd zou worden en dat die van Reijerwaard met hun molens op de boezem zouden blijven malen, óf dat Reijerwaard naar verkiezing de beide molens op elkander zou stellen en het water met een goot in de boezem zou malen mits niet hoger dan tot 15 duim. Doch Reijerwaard sloeg dit voorstel af en machtigde zijn dijkcollege het gebruik van de boezem op te heffen en afstand te doen van de eigendom van de ettingen ten behoeve van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, teneinde zulke bedingen te maken als ten nutte van Reijerwaard zouden kunnen strekken. Een en ander werd geregeld bij het contract van 9 januari 1740 46) dat lange tijd de verschillende waterstaatkundige verhoudingen heeft beheerst en waarin Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland alle reeds gemaakte werken aan kade, sluis en sluishaven en het aandeel van Reijerwaard in de gemene boezem voor hun rekening namen.

Beide polders zouden voortaan driekwart van de onkosten in de bovengenoemde werken betalen en ook driekwart van het reeds aanbestede uitdiepen van de Kreek, ook zouden zij alle verplichtingen van Reijerwaard overnemen zowel ten aanzien van de beide polders als van de kleine Nieuwelanden uit hoofde van de contracten van 1464, 1484 en de uitspraak van 1505. Daarentegen gaf Reijerwaard aan Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland de eigendom van kulken, kreken en kaden in de boezem van de Hordijk, voor zover die aan Nieuw-Reijerwaard behoorden, benevens de dijkettingen van de gehele Hordijk, daaronder begrepen de erfpachten achteraan de Hordijk, welke gelegen waren aan die zijde van de Hordijk, die aan de boezem kwam. Smeetsland zou daarvoor de dijk zodanig ophogen, dat hij een putse voet boven het peil zou zijn dat in de boezem gesteld zou worden. De dijk bleef onder de keur en schouw van beide partijen. Na half mei zou Reijerwaard het gat in de Hordijk op haar kosten laten dichten en daardoor de gemeenschap tussen genoemde polders beëindigen.

Het gemeenschappelijk beheer van de aan de vier polders gemene waterkering- en boezembelangen werd later gevoerd door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van de vier polders van West-IJsselmonde, dat in 1862 werd vervangen door het Waterschap van West-IJsselmonde.

Het bestuur van de polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland bestond aanvankelijk uit een dijkgraaf en een aantal heemraden, waarvan het juiste aantal niet bekend is. Bij de overeenkomst tussen de vier polders in 1536 werd een college gevormd bestaande uit een dijkgraaf en vijf hoogheemraden, nl. twee namens Dirk Smeetsland, een namens Meester Arend van der Woudensland en twee namens de kleine Nieuwelanden. Omdat de dijkgraaf en twee hoogheemraden ingelanden van Smeetsland moesten zijn, nam deze polder een dominerende positie in. Het lage bestuur van Dirk Smeetsland bestond uit een dijkgraaf, twee laagheemraden, een secretaris, een penningmeester en een bode; dat van Meester Arend van der Woudensland bestond uit een dijkgraaf, een laagheemraad, een secretaris, een penningmeester en een bode. De functies van dijkgraaf, secretaris, penningmeester en bode werden voor beide colleges vaak door dezelfde personen uitgeoefend. In 1851 ontstond het waterschap van de twee polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, waarvan het bestuur bestond uit een dijkgraaf, drie laagheemraden (twee voor Smeetsland en een voor Arend van der Woudensland), secretaris, penningmeester en bode.

De oppervlakte van de vier polders omvatte in zijn geheel 491 morgen, waarvan 232 morgen voor de polder Dirk Smeetsland en 140 morgen voor de polder Meester Arend van der Woudensland, vandaar dat deze laatste polder in oude stukken vaak de 140 Morgen wordt genoemd.

In 1862 trad het Waterschap van West-IJsselmonde in de plaats van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van de vier polders van West-IJsselmonde. Hiermede raakte Smeetsland zijn dominerende positie kwijt, want het bestuur bestond uit een dijkgraaf en vier hoogheemraden, voor elke polder een. De grenzen van het nieuwe waterschap werden als volgt bepaald: ten noorden en ten westen de buitenteen van de Hoge Zeedijk van het Klein Nieuwland (= de 51 Morgen) en verder de grens van de polders Varkensoord en Charlois, ten zuiden de grens van de polders het Binnenland van Oost- en West-Barendrecht en ten oosten de grens van de polder Oost-IJsselmonde.

Vóór de invoering van het reglement van 1862 47) bestond het waterschap reeds onder de naam van de vier polders van West-IJsselmonde, zoals blijkt uit de Algemene Keur uit 1856 van dit waterschap. Het was een dijkcollege, dat belast was met het beheer over en de zorg voor de gemeenschappelijke werken van de vier onderhorige polders, die binnen één dijkomringing gelegen waren. Het college had geen eigenlijk reglement van bestuur, maar voerde volgens oude gebruiken en overeenkomsten het beheer over de gemene werken der vier polders, de dijken, wegen, gemene boezem, uitwateringssluis met buitenhaven en de schouw daarover. Het werd bijgestaan door de secretaris, penningmeester en bode van de polder Dirk Smeetsland c.a. Jaarlijks werden ten overstaan van de ingelanden door het dijkcollege twee rekeningen gedaan: een voor zover het de twee polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland betrof en een voor de vier polders gezamenlijk. De rekening van de twee polders bestond uit de ontvangsten en uitgaven van het in 1740 van Reijerwaard overgenomen driekwart aandeel in de boezem en bemaling, terwijl de rekening van de vier polders de ontvangsten van de gemenelandspachten en het reeds bestaande vierde deel in de gemenelandswerken omvatte. De pachten van de Boezemkaden werden voor een vierde deel genoten door de vier polders en voor driekwart door de twee polders; dezelfde verdeling gold ook voor de onkosten van het onderhoud van de boezem. De zg. 13 hond in de bovenboezem was echter eigendom van de polder Oost-IJsselmonde. De ontvangst van de landpachten van Lombardijen kwam uitsluitend ten goede aan Smeetsland.

In 1867 werd ten behoeve van het Waterschap van West-IJsselmonde een bovenmolen gesticht aan de Kreekseboezem, die in 1868 voltooid werd. Het noordelijk deel van deze boezem werd hierdoor hoge boezem, waarop de bovenmolen het water uitsloeg, die met een sluisgang door de Kreeksesluis op de noordwaarts naar de Nieuwe Maas voerende buitenhaven afwaterde. Deze sluis, gelegen in de Dwars- of Kreeksedijk, kwam op grond van het contract van 1740 ten laste van de twee polders.

Het administratieve beheer van het waterschap was derhalve drieledig: het beheer van de vier polders, het beheer van de twee polders en het beheer van de molenbouw, ingevoerd in 1868 48). Zoals uit het voorgaande blijkt was de administratie van het waterschap vrij ingewikkeld, zodat op veelvuldig verzoek naar middelen ter vereenvoudiging werd omgezien. Ook de bemaling begon te wensen over te laten, zodat het langzamerhand tijd werd tot een algehele reorganisatie over te gaan. Bij overeenkomst van 15 november 1917 49) kwamen de polders het volgende overeen: Smeetsland zou voor zijn rekening nemen de stichting en exploitatie van een electrische bemaling, de afbraak der bestaande molens en het maken en onderhouden van verbindingsduikers ten gerieve van de andere polders. De polders de 68 Morgen en Klein Nieuwland of de 51 Morgen zouden een jaarlijkse vergoeding betalen voor de bemaling inclusief de omslag voor de molenbouw. Klein Nieuwland zou bovendien aan de 68 Morgen een vergoeding betalen voor het onderhoud van de vliet in laatstgenoemde polder. In 1918 vond de bouw plaats van de electrische gemalen met bijkomende werken. De oude rekening Molenbouw werd opgeheven en het batig saldo werd gestort op de rekening van de vier polders. De reorganisatie van de administratie liet echter nog op zich wachten. In 1924 deed het waterschapsbestuur wederom een voorstel aan de stemgerechtigde ingelanden en legde daarvoor een drietal plannen ter tafel. Aangenomen wordt tenslotte het derde plan, dat het volgende inhoudt: alle poldereigendommen worden gemeenschappelijk bezit en alle baten en lasten worden bij gemeenschappelijke omslag geregeld, terwijl er één bestuur komt. Er ontstaan echter moeilijkheden als blijkt dat de provincie niet accoord gaat met de voorstellen; het bestuur besluit voorlopig een afwachtende houding aan te nemen.

Na de annexatie van de gemeente IJsselmonde in 1941 door Rotterdam wordt een gedeelte van Smeetsland ontpolderd voor de bouw van noodwoningen. In 1943 wordt met Rijkswaterstaat een overeenkomst gesloten wegens de afdamming van de Kreeksehaven en de verplaatsing van het gemaal “Jan Vrijlandt”; wegens de oorlog worden deze werkzaamheden pas in 1947 voltooid.

In 1955 stellen Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor het waterschap op te heffen wegens de instelling in 1954 van het waterschap “De Dijkring IJsselmonde”, waardoor het waterschap van West-IJsselmonde zijn voornaamste taken verloor. Verder wordt voorgesteld de vier polders te verenigen tot één administratieve polder onder de naam “Polder West-IJsselmonde”. Na uitvoerige discussies wordt besloten hierop negatief te reageren, want er is nooit een gemeenschappelijke bemaling geweest en daarom is een vereniging van de polders uitgesloten. Men doet tegenvoorstellen: b.v. drie zelfstandige polders met een overkoepelend lichaam. Intussen gaan de onteigeningen door; Rotterdam koopt alles op wegens de uitbreidingsplannen Groot-IJsselmonde en Lombardijen. In 1959 worden de polderbesturen en Gedeputeerde Staten het eens: met ingang van 1 januari 1960 zal het waterschap van West-IJsselmonde worden opgeheven en gaan alle eigendommen over naar de polder Dirk Smeetsland c.a.

De polders Dirk Smeetsland en Arend van der Woudensland en die van de 68 Morgen en Klein Nieuwland hadden elk een laag bestuur, hetgeen tot uiting komt in de bijzondere reglementen voor die polders uit de jaren 1857 en 1862.

Het reglement voor de polder Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland stelde als begrenzing vast: ten oosten de polder het Oudeland van Oost-IJsselmonde, ten zuiden de Binnenlandse polder van Barendrecht, ten westen de polder van Charlois, ten noorden de polders Varkensoord, de 68 Morgen en Klein Nieuwland. Het bestuur bestond uit een dijkgraaf en drie heemraden, die op voordracht door de Koning werden benoemd. De dijkgraaf en twee heemraden moesten worden voorgedragen uit de ingelanden van de polder Dirk Smeetsland en een heemraad uit de ingelanden van de polder Meester Arend van der Woudensland. De openbare kennisgevingen en afkondigingen der keuren geschiedden door openbare afkondigingen aan de gemeentehuizen van IJsselmonde en Charlois. Zoals we gezien hebben bij de opheffing van het Waterschap van West-IJsselmonde gingen alle bezittingen, rechten en verplichtingen van het waterschap over op de polder Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, zodat deze als voorheen weer de machtigste van de vier polders was. De totale oppervlakte bedroeg ruim 364 ha, waarvan 244 ha voor Dirk Smeetsland en 120 ha voor Meester Arend van der Woudensland. Het was de laagste polder op het eiland IJsselmonde. Bij besluit van Provinciale Staten van 12 juni 1969 werd de polder opgeheven, waarbij alle rechten en verplichtingen met ingang van 1 april 1970 overgingen op de gemeente Rotterdam.

Het reglement voor de polder de 68 Morgen of de Laagjes, zoals hij ook wel werd genoemd (vermoedelijk naar de Groene Laagjesdijk als grensscheiding met Varkensoord) stelde als begrenzing vast: ten westen en ten noorden de polder Varkensoord, ten westen de polder Klein Nieuwland en ten zuiden de polder Dirk Smeetsland. Het bestuur bestond uit een voorzitter en twee heemraden. Om lid van het bestuur te worden werd een bezit vereist van twee bunders, waarvan de polderomslag werd betaald. Openbare afkondigingen geschiedden te IJsselmonde. De bemaling had plaats door een in 1854 vernieuwde windwatermolen, totdat deze in 1918 werd vervangen door de gemeenschappelijke electrische bemaling der vier polders tegen een jaarlijkse bijdrage in de bemalings- en onderhoudskosten. De dijken en kaden werden beheerd door het Waterschap van West-IJsselmonde, waarvan een kwart ten laste van het beheer van de vier polders kwam en driekwart ten laste van het beheer van de twee polders. De grindwegen werden onderhouden door de gemeente IJsselmonde volgens de overeenkomsten van 1873. Aangezien men hardnekkig vasthield aan de benaming de Laagjes, ontving het polderbestuur in 1944 een brief van het Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland, waarin nog eens uitdrukkelijk werd vastgesteld dat de naam van de polder uitsluitend die van de 68 Morgen was en dat aan het hoofd van het bestuur een voorzitter stond en geen dijkgraaf. De polder werd eveneens als die van Dirk Smeetsland c.a. in 1969 opgeheven.

Het reglement voor de polder Klein Nieuwland of de 51 Morgen stelde als begrenzing vast: ten noorden de Hoge Zeedijk van de vier polders van West-IJsselmonde, ten oosten de polder Oost-IJsselmonde, ten zuiden de polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland en ten westen de polder de 68 Morgen. De polder behoorde aan één eigenaar, die het bestuur vertegenwoordigde, en aan Gedeputeerde Staten werd opgegeven. Als aanwas van deze polder ontstond de buitendijkse polder het Zomerland, die eveneens als de vorige eigendom was van de ambachtsheer Bichon van IJsselmonde. De polder Klein Nieuwland of de 51 Morgen ontleende zijn laatste naam, evenals de polder de 68 Morgen, aan zijn oppervlakte. De bemaling had plaats door middel van een windwatermolen, die aan de westelijke polderrand stond tegenover de molen van de 68 Morgen. In 1918 werd de molen vervangen door de gemeenschappelijke electrische bemaling van de vier polders. De polder werd met een verbindingsduiker met Smeetsland verbonden. Het gebied van de polders Klein Nieuwland en het Zomerland werd door de ambachtsheer verpacht of verhuurd. Wel betaalde hij een bijdrage in de bemaling en verdere onderhoudskosten. In vroegere tijden werd het toezicht op deze polder uitgeoefend door het bestuur van het ambacht Oost-IJsselmonde in opdracht van de ambachtsheer. In 1941 werd de polder gedeeltelijk ontpolderd en in 1962 ging de eigendom over aan de gemeente Rotterdam. De polder het Zomerland werd in 1932 aan Rotterdam afgestaan.

 

Varkensoord en Karnemelksland

Na de bedijking van West-IJsselmonde in 1459 en van Charlois in 1460 begonnen zich, zoals gebruikelijk, aanwassen te vormen. Op een zeker moment, wanneer is niet bekend, werd een groot deel van deze gorzen omkaad. Dit gebied heet Varkensoord en Karnemelksland en komt als zodanig reeds voor in 1576 50) als de gebruikers en bewoners van het buitenland van het Westambacht van IJsselmonde, genaamd “Verckens Noort”, kwijtschelding van alle belastingen en omslagen verkrijgen wegens de enorme brand- en waterschade, die hen in de nazomer van 1575 door soldaten is toegebracht. Varkensoord viel onder de jurisdictie van de baljuw van Zuid-Holland en Karnemelksland onder die van Putten over de Maas. Ook hier werd de grens tussen beide polders aangegeven door een denkbeeldige lijn te trekken van de kerktoren van Hillegersberg naar een paal in de dijk, zoals dat ook het geval was bij Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland. Derhalve viel Karnemelksland onder Charlois en Varkensoord onder West-IJsselmonde. Varkensoord grensde aan de oostzijde aan de Kreek en in het zuiden aan de Groenedijk, in het westen aan Karnemelksland, terwijl de Nieuwe Maas de noordgrens vormde.

De polders Varkensoord en Karnemelksland hadden elk een eigen bestuur, bestaande uit een dijkgraaf met laagheemraden, die echter gezamenlijk vergaderden en beschikten over een gemeenschappelijke secretaris, penningmeester en bode. Het bestuur van Varkensoord bestond uit een dijkgraaf en vier heemraden, die gekozen werden uit de ingelanden. Het bestuur van Karnemelksland bestond uit een dijkgraaf en een heemraad, die werden benoemd door de grondheren van Charlois. Daarnaast bestond er nog een college van dijkgraaf en hoogheemraden van Varkensoord en Karnemelksland, naderhand ook wel het Hoogheemraadschap van Varkensoord genoemd. Het bestuur werd gevormd door een dijkgraaf en twee hoogheemraden, die werden bijgestaan door de secretaris en penningmeester van de polders Varkensoord en Karnemelksland. De taken van dit orgaan bestonden uit het beheer over de aanwassen en buitengronden van de polder, het beheer over de buitenkade of Varkenoordsekade, het beheer over de wegen, het beheer over de sluis en sluishaven, benevens de schouw over alle genoemde werken. Alles was geregeld volgens de overeenkomst van 1 juni 1676 51) na het sluiten van de rekening. Volgens oud gebruik moest de penningmeester of waarsman, zoals hij vroeger werd genoemd, ingeland zijn van de polder Varkensoord en woonachtig zijn in de gemeente IJsselmonde. Vermoedelijk hield dit verband met het feit dat het dorp IJsselmonde de zetel van het bestuur was. De lage penningmeester stelde de lage rekening of de rekening van het molenschot op. Was er een tekort, dan werd dit ten laste van de hoge rekening gebracht. Het batig slot van de hoge rekening kwam echter uitsluitend ten goede aan de ingelanden van Varkensoord. De voornaamste bron van inkomsten bestond uit de opbrengst van het riet uit de aanwassen van de polder Varkensoord. De polder Karnemelksland had in de administratie van de hoge rekening echter geen beheer.

In 1851 werden de polders Varkensoord en Karnemelksland verenigd tot een waterschap en in 1858 werden alle drie besturen opgeheven en verenigd in een nieuw bestuur, bestaande uit een dijkgraaf en vier heemraden, twee voor elke polder. Ze werden voor zes jaar benoemd. Men heeft nog geprobeerd om het hoogheemraadschap te laten voortbestaan, doch zonder resultaat. Bij schrijven van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 11/18 januari 1859 kwam dit instituut te vervallen. In 1922 werd aan Gedeputeerde Staten het voorstel gedaan om over te gaan op drie heemraden, omdat één persoon zowel dijkgraaf als heemraad was. Doch de Staten beslisten anders: voortaan zou het bestuur bestaan uit een dijkgraaf en twee heemraden om te voorkomen dat Varkensoord zijn vroegere meerderheid in het bestuur weer zou terugkrijgen.

De bemaling van de polders geschiedde door een boezem, die via een gemeenschappelijke sluis afwaterde in het Zwanegat. De watermolen stond in Karnemelksland, die door middel van een omkade voorboezem met de bergboezem in verbinding stond. De stad Rotterdam had als eigenaar van het gors Feijenoord in 1644 dammen en hoofden aangebracht, met als gevolg dat het Zwanegat verzandde en de afwatering van de polders in gevaar kwam. Men kwam overeen dat de sluis op kosten van Rotterdam 160 roeden oostwaarts werd verplaatst. Volgens resolutie van de Staten van Holland van 6 juni 1722 zou het Zwanegat, een arm van de rivier de Maas, nimmer worden afgedamd. In 1800 werd door het Uitvoerend Bewind op aandringen van Rotterdam en op advies van de inspecteur van de waterstaat deze resolutie ingetrokken en werd het Zwanegat afgedamd. Hierdoor ontstond grote schade voor de polders de Hille en Varkensoord, die beiden op dit gebied afwaterden. Na langdurige onderhandelingen werd tenslotte een doorgraving gemaakt.

Toen in 1867 de molen afbrandde en er een nieuwe moest worden gebouwd, zocht men samenwerking met de polder de Hille en Katendrecht in verband met de verbetering van de bemaling. Katendrecht trok zich al spoedig terug en men besloot tot oprichting van een stenen bovenwatermolen aan de binnenzijde van de sluis van Varkensoord in gemeenschap met de Hille. Dit plan is echter niet doorgegaan en al spoedig werd een nieuw plan gelanceerd, nl. een gemeenschappelijke stoombemaling met de Hille en Katendrecht. Dit plan werd in 1870 een feit door de oprichting van het Waterschap voor de gemeenschappelijke belangen der polders Varkensoord en Karnemelksland, de Hille en Katendrecht. De oude molen werd in 1871 verkocht. In 1889 liep de polder Varkensoord onder door een doorbraak in de bestrate dijk; uitmaling geschiedde met hulp van de omliggende polders. Bij overeenkomst van 15 juni 1900 werd de bemaling van dit gebied overgenomen door de gemeente Rotterdam.

De delen Varkensoord en Karnemelksland werden van elkaar gescheiden door een watergang, de Vliet genaamd, die vóór 1894 de grensscheiding tussen de gemeenten IJsselmonde en Charlois vormde. Een restant van deze Vliet bestaat thans nog als de Lange Geer in Rotterdam-Zuid. Charlois en Karnemelksland werden in 1894 door Rotterdam geannexeerd en geleidelijk aan verliest de polder Varkensoord steeds meer terrein aan de stadsuitbreiding van de Gemeente Rotterdam. Tenslotte valt op 25 juni 1954 het ontpolderingsbesluit en in 1957 wordt de polder opgeheven.

 

Noten:

(Inventarisnummers verwijzen, tenzij anders vermeld, naar archieftoegang 14, Polders IJsselmonde, van het Stadsarchief Rotterdam)

  1. Nieuwenhuis (14), afbeelding 1 (zie ook hier).
  2. Hoek (11), blz. 12 | Renting (20), blz. 193 e.v.
  3. Oorkondenboek (17), deel I, blz. 245.
  4. Ramaer (18), blz. 205.
  5. Gottschalk (8), deel I, blz. 227.
  6. Gottschalk (8), deel I, blz. 437.
  7. Ramaer (18), blz. 209.
  8. Unger (22), deel IV, blz. 1005.
  9. Unger (22), deel IV, blz. 1055.
  10. Van Mieris (12), deel IV, blz. 703.
  11. Gottschalk (8), deel I, blz. 435.
  12. Van Mieris (12), deel IV, blz. 435.
  13. Van Mieris (12), deel IV, blz. 804.
  14. Van Bilderbeek (5), blz. 90, regest nr. 45.
  15. Groot Placcaatboek van Hollant, deel II, blz. 1583.
  16. Nieuwenhuis (14), blz. 2.
  17. Nieuwenhuis (14), blz. 3.
  18. Van Bilderbeek (5), blz. 92, regest nr. 55.
  19. Nieuwenhuis (14), Inv.nr. 1643, Akte van verkoop, gepasseerd voor notaris Pieter van den Dunghen te Brussel, waarin de curator over Isabelle Margriete Françoise de Merode het Oostambacht inclusief het kasteel met inboedel en toebehoren voor een bedrag van fl. 108.000,= verkoopt aan Adriaen Lampsins, regest nr. 6.
  20. Regt (19), blz. 185.
  21. Nieuwenhuis (14), Inv.nr. 1770, Akte van overeenkomst tussen Margriete van Comene, ambachtsvrouwe van Ridderkerk, en Godschalk Oem met Hugo van Lannoy, ambachtsheren van Oost-IJsselmonde, met betrekking tot het onderhoud en de schouw over de Hordijk en de eigendom van de Middeldam, regest nr. 8 | Nieuwenhuis (13), blz. 2069.
  22. Van der Eyck (7), blz. 66 e.v.
  23. Van Bilderbeek (5), blz. 98, regest nr. 80.
  24. Inv.nr. 262, Akte van overeenkomst tussen dijkgraaf met dijkheemraden en ingelanden van Riederwaard en IJsselmonde enerzijds en dijkgraaf met dijkheemraden en ingelanden van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland anderzijds, betreffende de dijkage van het nieuwe land en het leggen van een sluis. | Van Bilderbeek (5), blz. 27. 
  25. Inv. nr. 142, Algemene rekeningen uit de periode 1594-1618, rekening 1612, blz. 4 en 5.
  26. Van Bilderbeek (5), blz. 38.
  27. Van Bilderbeek (5), blz. 111, regest nr. 142.
  28. Hazewinkel (10), blz. 2.
  29. Hazewinkel (10), blz. 1.
  30. Ten Boom & Woelderink (6), inv.nr. 1510.
  31. Hazewinkel (10), blz. 5 e.v.
  32. Ten Boom & Woelderink (6), inv.nr. 1513
  33. Ten Boom & Woelderink (6), inv.nr. 1514
  34. Van Bilderbeek (5), blz. 95, regest nr. 70.
  35. Inv.nr. 251, Akte waarin Jacob heer van Gaesbeek, Abcoude, Putten en Strijen, het Westveen van Jacob Bokelsambacht ter bedijking uitgeeft aan Meester Arend van der Woude c.s. en hen het recht geeft tot aanstelling van dijkgraaf en heemraden.
  36. Van Bilderbeek (5), blz. 98, regest nr. 80.
  37. Inv.nr. 263, Akte van overeenkomst tussen dijkgraaf, heemraden en ingelanden van Ridderkerk en die van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland wegens het onderhoud en de bemaling, waarbij 3/4 van de kosten zullen worden gedragen door Ridderkerk en 1/4 door Smeetsland.
  38. Inv.nr. 253, Akte waarin Gheraert van Abbenbrouck, ruwaard van Putten en Strijen, Garbrant Jacobsz. aanstelt tot dijkgraaf van Meester Arend van der Woudensland in plaats van Mr. Arend van der Woude over wie klachten waren ingekomen.
  39. Inv.nr. 261, Stukken betreffende het proces, gevoerd voor het Hof van Holland, van Meester Aernt van Woude contra Garbrant Jacobsz., dijkgraaf, met de heemraden van Dirk Smeetsland, betreffende de dijkage en het halen van aarde.
  40. Inv.nr. 255, Akte waarin Jacob Dammassz., ambachtsheer van West-Barendrecht, met de ingelanden in tegenwoordigheid van mr. Jan Duyck Willemsz. en Adriaen Coenraetsz. al het land, dat bedijkt is binnen Lombardijen en begrepen is onder het ambacht van West-Barendrecht, onder bepaalde voorwaarden verkopen aan de ingelanden van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland .
  41. Nieuwenhuis (14), blz. 5 e.v.
  42. Van Bilderbeek (5), blz. 28.
  43. Inv.nr. 765, Uitspraak van burgemeesters, schepenen en raden van Dordrecht als arbiters in het geschil tussen de ingelanden van de nieuwe bedijkte landen voor het Oost- en Westambacht van IJsselmonde enerzijds en de ingelanden van Riederwaard, Charlois en Dirk Smeetsland anderzijds over het onderhoud en de afwatering door het nieuwe land.
  44. Inv.nr. 756, Afschrift van een akte van overeenkomst tussen de ingelanden van Dirk Smeetsland en het Klein Nieuwland over het onderhoud van de zeedijk en het aanstellen van heemraden.
  45. Van Bilderbeek (5), blz. 107, regest nr. 122.
  46. Inv.nr. 365, Akte van overeenkomst tussen dijkgraaf en hoogheemraden van Nieuw-Reijerwaard enerzijds en dijkgraaf en hoogheemraden van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland anderzijds, wegens de bemaling op de boezem, waarbij Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland alle rechten en verplichtingen overnemen, die Nieuw-Reijerwaard had van de sluis, kade, sluishaven en boezem.
  47. Inv.nr. 347, Contracten en keuren uit de periode 1465-1862 van de vier polders, met inhoudsopgave | Inv.nr. 404, Bijzonder reglement voor het waterschap, met wijzigingen.
  48. Teixeira de Mattos (21), blz. 295.
  49. Inv.nr. 652, Akte van overeenkomst tussen de vier polders betreffende een electrische bemaling voor een looptijd van 25 jaar.
  50. Inv.nr. 814, Ordonnantie van de Staten van Holland om de bewoners van het buitenland van het Westambacht van IJsselmonde, genaamd “Verckens noort”, niet te vervolgen en te gijzelen wegens wanbetaling van de impost over 1576, aangezien zij daarvan zijn ontheven.
  51. Inv.nr. 820, Archief van dijkgraaf en hoogheemraden van Varkensoord en Karnemelksland 1569-1858, Rekeningen periode 1671-1695.


Literatuurlijst:

  1. Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln en aanhangsel. Gorinchem, 1839-1851.
  2. Baars, H.L., Grepen uit de geschiedenis van IJsselmonde, s.l., s.a.
  3. Beekman, A.A., Het dijk- en waterschapsrecht in Nederland vóór 1795. Den Haag, 1904-1907.
  4. Beschrijving van de provincie Zuid-Holland behorende bij de waterstaatskaart. ‘s-Gravenhage, 1967.
  5. Bilderbeek, W.H. van, Geschiedenis der polders Oud- en Nieuw-Reyerwaard, de wijze van bemaling der polders, benevens hunne bestuurders. Dordrecht, 1914.
  6. Boom, H. ten en Woelderink, B., Inventaris van het oud archief van de stad Rotterdam, 1340-1823. 2 dln. Rotterdam, 1976.
  7. Eyck, Jacob van der, Handvesten, Privilegiën, Costumen ende Ordonnantiën van den Landen van Zuyt-Hollandt. Dordrecht, 1628.
  8. Gottschalk, M.K. Elisabeth, Stormvloeden en rivier overstroming en in Nederland. 3 dln. Assen/Amsterdam, 1971-1977.
  9. Gouw, J.L. van der, De Ring van Putten. : Zuid-Hollandse Studiën, XIII. ‘s-Gravenhage, 1967.
  10. Hazewinkel, H.C., “Feyenoord” .: Rotterdamsch Jaarboekje, 4e reeks, V. 1939; VI. 1938; VII. 1939.
  11. Hoek, C., Een eiland in de delta. Rotterdam, 1973.
  12. Mieris, F. van, Groot Charterboek der graaven van Holland, van Zeeland en heeren van Vriesland… . 4 dln. Leiden, 1753-1755.
  13. Nieuwenhuis, J.G.B., Catalogus van de handschriftenverzameling (der Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam), 2 dln. Rotterdam, 1970.
  14. Nieuwenhuis, J.G.B., Inventaris der archieven van de voormalige gemeente IJsselmonde, 1552-1941 en de archieven van de ambachtsheerlijkheden Oost- en West-IJsselmonde en Lombardijen, 1435-1923. Rotterdam, 1979.
  15. Ollefen, L. van, De Nederlandsche Stad- en Dorp-Beschrijver, I. Amsterdam, 1793.
  16. Ommeren, H.R. van, Het archief en de handschriften van de grondheerlijkheid “Charlois en annexe polders”, 1460-1887. Rotterdam, 1964.
  17. Oorkondenboek van Holland en Zeeland, L.P.C. van den Bergh, ed. 2 dln. ‘s-Gravenhage, 1873.
  18. Ramaer, J.C., Geographische Geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de Middeleeuwen. Verh. Kon. Ak. van Wetenschappen afd. Letterkunde, nieuwe reeks, II nr. 3. Amsterdam, 1899.
  19. Regt, J.W., Geschied- en aardrijkskundige Beschrijving van den Zwijndrechtschenwaard, den Riederwaard en het Land van Putten over de Maas. Zwijndrecht, 1848.
  20. Renting, R.A.D., “De grenzen van de jurisdictie van Rotterdam”: Rotterdams Jaarboekje, 8e reeks, VI. Rotterdam, 1978.
  21. Teixeira de Mattos, Jhr. L.F., De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland, VI (IJsselmonde). ‘s-Gravenhage, 1920.
  22. Unger, J.H.W., Regestenlijst voor Rotterdam en Schieland tot in 1425: Bronnen voor de geschiedenis van Rotterdam, IV. Rotterdam, 1907.
  23. (Wagenaar, J., e.a.), Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden. 23 dln. Amsterdam, 1739-1803.

Ontworpen door Henk Kuiper Webs