Het geslacht Lampsins, van Middelburg naar ’t Oostambacht van IJsselmonde

Het geslacht Lampsins, van Middelburg naar ’t Oostambacht van IJsselmonde

Lampsins
(ook: Lamsins/Lamsens/Lamp(s)ius)

 

Herkomst

Het is 1580, West-Europa is in rep en roer: het is oorlog. In 1566 hebben de Spaanse Nederlanden de Spaanse koning als soeverein vorst afgezworen. Ze willen eigen bestuur en godsdienstvrijheid.

Alexander FarneseAlexander Farnese, landvoogd van de Nederlanden, rukt op in naam van zijn oom Filips II, de koning van Spanje, om de opstandelingen te verslaan en de Nederlanden weer terug te brengen onder haar rechtmatige eigenaar. De inwoners van Oostende zitten nog relatief veilig. Vier jaar eerder werden de nieuwe stadswallen voltooid en hiermee was Oostende één van de stevigste bolwerken van Vlaanderen geworden. Oostende heeft de kant van Oranje gekozen en vecht mee aan diens zijde. Op zijn beurt stuurt Oranje ter verdediging van de zeer strategisch gelegen stad een garnizoen soldaten. Het is een tijd waarin men beter een legertje geuzen binnen de stadsmuur kan hebben dan één Spanjaard. Die ene Spanjaard trekt namelijk geuzen aan.

Vanuit Oostende worden geregeld uitvallen in het Vlaamse land gedaan, allereerst om Iand te veroveren maar ook voor proviand en materiaal. Niet alleen Farnese heeft te lijden onder de voortdurende uitvallen van de geuzen, ook het Vlaamse volk klaagt steen en been over deze opstandelingen die regelmatig de landerijen en dorpen plunderen. Een zucht van verlichting gaat dan ook door Vlaanderen als in 1596 bekend wordt dat de aartshertogin lsabella – de dochter van Filips Il – en haar gemaal aartshertog Albrecht van Oostenrijk in aantocht zijn. Met de komst van de landvoogdes hoopt men dat de opstandige steden weldra zullen vallen en de geuzen zullen moeten vluchten. Het is valse hoop, de geuzen handhaven zich en ontvangen vanuit Zeeland versterkingen en voorraden. En de Vlamingen? Dat arme volk, het is van de regen in de drup gekomen. De Spanjaarden die de belegerde steden omringen, beginnen nu met plunderen.

De strijd in het Vlaamse land zal tot in de zeventiende eeuw duren. Overwinningen zijn afwisselend voor Oranjes geuzen dan wel voor Spanjes soldaten. Het hoogtepunt is de belegering van Oostende tussen 1601 en 1604. In 1601 herovert Farnese de stad Oostende maar verliest het net zo snel weer. Zijn reactie hierop is het opwerpen van een beleg om de stad opnieuw te beheersen.

Het beleg van Oostende staat te boek als één van de zwaarste en bloedigste in de geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog. Alleen al het gevecht om deze stad kostte ruim 150.000 mensen het leven, aan zowel Spaanse als Nederlandse zijde.

Uiteindelijk wordt in september van 1604 het beleg opgeheven met een overgave aan de Spanjaarden. De stad heeft in die drie jaren zoveel te verduren gekregen dat het niet meer is dan puin. De inwoners zijn gesneuveld of gevlucht, slechts het garnizoen is nog over. Bij de overgave wordt wel een ‘roemvolle’ uittocht bepaald voor het garnizoen van Oostende. De Spaanse overwinnaar biedt zelfs een banket aan; de verliezer en overwinnaar verbroederen en de wijn vloeit rijkelijk.

Beleg van Oostende door de Spanjaarden 1601-1604
Het beleg van Oostende door de Spanjaarden 1601-1604 (Koninklijke Musea voor
Schone 
Kunsten van België, Brussel)

Oostende is na een beleg van drie jaar weer terug in Spaanse handen’ Het werd tijd ook; de landvoogdes, aartshertogin Isabella heeft drie jaar eerder, toen zij Oostende verloor, gezworen geen schoon hemd meer aan te trekken voordat Oostende weer in haar handen was1. Bij deze belofte riep ze uit nog liever zelf in de strijd te sterven dan Oostende op te geven’ De legende rond haar vertelt dat men in de stad Oostende haar belofte kon horen’ Drie jaar later is het zover, ze heeft Oostende weer in haar macht. Echter, het heroverd bezit blijkt er niet een om mee te pronken’ Het is niet meer dan een hoop smeulende ruïnes met halfvergane lijken2. Tijdens haar zegetocht door Oostende laat zélfs Isabella – die toch grotendeels verantwoordelijk is geweest voor de voortgang van de belegering – een traan als zij bemerkt hoeveel bloed het stukje land heeft gekost

“Ziedaar wat Oostende was’ ziedaar hoe Oostende eruitzag, eer beroerten en oorlog er een geducht en vermaaid bolwerk van maakten, waarvan de naam later in West-Vlaanderen gedurende lange jaren aan droevige gebeurtenissen dikwerf teleurgestelde verwachtingen en bloedige strijden zou herinneren. Doch luister’ daar galmt een noodgeluid! ’t ls de stormklok niet der groote vloeden, maar de noodklok van omwenteling, oorlog en geus!” 3

Om de stad terug te bevolken werden verschillende privileges en kwijtscheldingen van schulden beloofd aan de nieuwe aankomers :

“mits levene als waere Catholyke, onder onze gehoorzaemheyd, waer over zy gehouden zullen wezen den Eed af te leggen in handen van onzen Officier en Wet-mannen, die door ons in deze Stad zullen aengesteld worden, gelyk wy ook vergunnen aen alle deszelfs inwoonders voor altyd den Vrydom van Soldaeten te logeren in hunne huyzen, opdat zy van hunne Woonsten en Erfdeelen te meer profyt zouden konnen trekken.”

Dan maar vluchten

Zo rond 1580 had men het al door; dit werd oorlog. Als handelaar kan men wel goed verdienen aan oorlog, edoch, midden in het strijdgewoel is het moeilijk handelen. Daarbij wordt van de magistratuur verwacht dat zij geld inlevert ter bekostiging van de verdediging’ Van de arme inwoners hoeft men immers geen grote bijdrage te verwachten, en men ziet ook wel in dat het leven in Oostende steeds gevaarlijker wordt. Zodoende vatten een aantal leden van de belangrijkste Oostendse families plan op om hun heil elders te zoeken4. En waar anders dan in het Zeeuwse land? In Zeeland valt tenminste goed te verdienen aan de immer voortdurende oorlog. Daar rust men immers oorlogsvloten uit en kan men nog met gemak in de alsmaar groeiende steden een plaats innemen als magistraat. Bestuurservaring (en geld) neemt men per slot van rekening mee. Met dit vooruitzicht verlaten rond 1582 en in de jaren erna, een groot aantal Oostendenaren hun stad als (economische) vluchtelingen. Hierdoor komt er een zeer invloedrijke sector in de drie grote steden van Walcheren. De vluchtelingen houden contact en versterken elkaars positie in het Zeeuwse land, door ambten of door huwelijken.

Op weg naar Zeeland, wellicht op het veer tussen Breskens en Vlissingen, moet men van geloof veranderd zijn. In Oostende geeft men van protestantisme nog geen blijk. De eerder genoemde families zetelden daar namelijk nog steeds in de vroedschap, die onder de Spaanse kroon viel en dus katholiek was. Cornelis Lampsins werd zelfs nog in het voorjaar van 1580 door de ‘Commissarissen ‘s Conincx van den hooghe overigheyt’ benoemd tot schepen van Oostende. Dit werd niet gedaan wanneer er een vermoeden was dat de man – of één van zijn verwanten – de ‘ketterse leer’ aanhing.

Zeeland

Cornelis Lievensz. Lampsins vertrekt ná 1585 als enige van zijn familie richting Zeeland, zijn ouders, het echtpaar LampsinsVan Havenskercke, en verdere familie achterlatend. Waarschijnlijk is de val van Antwerpen voor hem net als voor vele lotgenoten uit de Zuiderlijke Nederlanden de directe aanleiding geweest om noordwaarts te vluchten. Met zijn echtgenote Maria Muenicx en kinderen vertrekt hij naar Vlissingen. Zij laten zich de ‘rust’ in deze stad welgevallen, maar houden het nieuws uit Oostende angstvallig in de gaten. Naast familie hebben Cornelis en zijn eveneens gevluchte verwanten namelijk ook onroerende bezittingen in de geboortestreek achtergelaten5.

Het is 1597 als Cornelis het ambt van schepen van Vlissingen op zich neemt. Uit Zeeland vertrekken dan bijna wekelijks schepen met voorraden en manschappen naar Vlaanderen om de zaak van Oranje te steunen. Voor Oostende mag het, zoals eerder beschreven, niet baten. Cornelis zal nog geen vier jaar later door berichten te horen krijgen hoe zijn geboortestad – waarvan hij zelfs nog burgervader was geweest – kapot wordt geschoten. De jaren daarna zal hij wekelijks het verloop van het beleg vernemen. Het moeten zware jaren geweest zijn voor de Oostendse vluchtelingen, niet wetend hoe en waar de oude bekenden en verwanten zich bevonden.

Jaren later, als het beleg voorbij is en Cornelis reeds zo’n zeventig jaar is, vermelden de Oostendse raadsnotulen van 22 maart 1610 dat het college een rekest overhandigt heeft gekregen, “uit handen van de heer ‘oudtburgemeestre’ Cornelis Lampsins”6. CorneIis is dus op hoge leeftijd nog eenmaal teruggekeerd naar ‘zijn’ stad om zijn bezittingen te claimen. Of het gelukt is, is helaas niet bekend. Door een bombardement in de Tweede Wereldoorlog zijn de archíeven van Oostende verloren gegaan. Ook de archieven van Vlissingen geven ons dit antwoord niet. De stad werd in 1809 beschoten door de Engelse bondgenoten tegen de Fransen, waardoor vrijwel heel het oud archief verloren ging. Wel weten we dat Cornelis Lampsins op zeer hoge leeftijd sterft. Hij is vier en tachtig jaar oud geworden in zijn tweede ‘thuishaven’.

Michiel Adriaenszoon de Ruijter.

De geschiedenis van de familie Lampsins is nauw verweven met die van de latere redder des vaderlands en Bestevâer, Michiel Adriaenszoon de Ruyter.

Michiel Adriaenszoon wordt op 24 maart 1607, om acht uur ’s morgens, in Vlissingen geboren. Hij was de zoon van zeeman, later bierdrager,  Adriaen Michielszoon en Alida Jansdochter. Hij wordt gedoopt in de Sint Jacobskerk aan de Oude Markt in Vlissingen. De naam “Michiel Adriaensen (de) Ruyter” zou hij pas rond 1636 aannemen. Zijn naam werd, zoals in de 17e eeuw gebruikelijk, ook door hemzelf op verschillende wijzen geschreven.

15121142362015Michiel wordt op begint zijn werkzame leven als “draaiersjongen” aan het touwslagerswiel op de lijnbaan van de gebroeders Cornelis en Adriaen Lampsins in Vlissingen wat hem ongeveer 6 stuivers per dag opleverde. Op 11 jarige leeftijd monstert Michiel aan op “De Haen” van de gebroeders Lampsins en op 3 augustus 1618 maakt hij zijn eerste zeereis als hoogbootsmansjongen. “De Haen” is een bewapende koopvaarder en zijn eerste reis gaat naar de Caraïben en Zuid-Amerika.

Volgens een Engelse bron werkt hij in de jaren 20 van de 17e eeuw ongeveer 7 jaar in Dublin. Voor de gebroeders Lampsins trad hij op als handelsagent.

In 1633 monstert Michiel aan op het schip ‘De Groene Leeuw’ van schipper Jochem Jansen voor een tocht naar Jan Mayen, op walvisvaart, in dienst van de Noordtse Compagnie. Deze Compagnie werd overigens mede opgericht door de Jan Cornelisz. Lampsins.

Michiel is 30 jaar oud als hij 23 april 1637 door Lampsins bevorderd wordt tot kapitein van een kaperschip. Naast het feit dat de kapervaart schade toebracht aan de vijand was het ook een lucratieve bezigheid, want elke ‘prijs’ die binnen werd gebracht, betekende een percentage van de winst. Michiel bouwt in die periode zijn kapitaal op van vele duizenden guldens en verwerft het poorterschap (burgerrecht) van Vlissingen

Michiel maakt hierna de overstap naar de vrachtvaart. Ook weer in dienst van de gebroeders Lampsins wordt hij in 1640 schipper op ‘de Vlissinge’ en maakt zijn 1e reis in die hoedanigheid naar Brazilië. Dat land is in die periode in handen van de West-Indische Compagnie, waarvoor Cornelis Lampsins bewindvoerder was.

Michiel is 34 jaar als hij een belangrijke stap neemt. Hij gaat bij de marine. Op verzoek van de Zeeuwse admiraliteit en admiraal van de vloot Arnout (Aart/Artus) Gijsels van Lier, krijgt hij meteen een belangrijke functie. Hij wordt aangesteld als schout-bij-nacht en is daarmee de 3e man op de vloot, na Admiraal Gijsels en Vice-Admiraal Tolck. Er wordt aangenomen dat ook hierin de gebroeders Lampsins een rol hebben gespeeld. Als Schout-bij-Nacht van de vloot en kapitein van het schip “De Haze“, een door de Zeeuwse admiraliteit van de rederij van de gebroeders Lampsins ingehuurd koopvaardijschip voor ’s Lands vloot.

Hierna volgen nog vele commando’s en zeeslagen die hem uiteindelijk, zoals algemeen wordt gesteld, de beste Admiraal uit zijn tijd maken. Zijn bemanningsleden noemden hem liefkozend Bestevâer. Hij was streng maar rechtvaardig, zorgde goed voor zijn bemanningen en kwam zijn verplichting naar hen zo goed als hij kon na.

Zijn dochter Cornelia (Neeltje) de Ruyter uit zijn (2e) huwelijk met Neeltje Engels, een bemiddelde regentendochter, huwt op 20 september 1659 te Vlissingen met Johan (Jean) de Witte (1635-1683), zoon van rentmeester Cornelis (Anthonisz.) de Witte Sr. en Johanna Lampsins, een zuster van Adriaen en Cornelis Lampsins. Johan de Witte was de eerste jaren na zijn trouwen werkzaam als koopman. In 1664 werd hij fiscaal op de vloot van zijn schoonvader. Eind 1665 werd hij benoemd tot kapitein van een regiment van het toen pas opgerichte korps mariniers. Het gezin De Witte woonden aan de Leuvehaven in Rotterdam. Johan de Witte maakte de zeeslagen van 1666 en de tocht naar Chatam in 1667 mee.

Het familiewapen van Lampsins is afgebeeld op het de Ruijterraam in de Sint Jacobskerk aan de Oude Markt te Vlissingen, waarvan de overlevering zegt dat Michiel de Ruijter de toren hiervan in 1617 stiekem heeft beklommen toen die in de steigers stond vanwege een restauratie.

Jantje

De kinderen van Cornelis en Maria zijn allen te Oostende geboren en verlieten op zeer jonge leeftijd de stad van hun voorvaderen. Jan Lampsins wordt rond 1570 geboren. Maar al spoedig zal ‘Jantje’ – hij werd als jongetje geportretteerd – tot de voornaamste kooplieden van de stad Vlissingen gaan behoren. In 1614 is hij zelfs medeoprichter en bewindhebber van de Noordsche Compagnie. Deze compagnie richtte zich op de walvisvaart in de noordelijke ijszeeën. De walvisvaart bleek zeer Iucratief, er was dan ook veel concurrentie van de Engelsen en de Scandinaviërs.

Desalniettemin is men in Nederland tot in de twintigste eeuw, lang na de opheffing van de Noordsche Compagnie, betrokken gebleven bij de walvisvaart.

Eerder, in 1597 , treedt Jan te Vlissingen in het huwelijk met zijn achternicht Janneken Velters7. Ook haar ouders zijn gevlucht uit Oostende voor de onlusten in het Vlaamse land. Zij krijgen samen tien kinderen, waarvan er vijf de volwassen leeftijd niet halen. De drie overgebleven dochters huwen elk

welgestelde regenten. Janneke gaat te Goes wonen, Maycken en Cornelia blijven in Vlissingen. De twee zonen die het echtpaar krijgt zullen de twee beroemdste telgen van het geslacht Lampsins worden.

Jan Lampsins sterft op relatief jonge leeftijd in 1619, maar laat ongetwijfeld een groot kapitaal, vele belangen én de lijnbaan na. Dezelfde lijnbaan waar ook het werkzame leven van de toen nog heel jonge Michiel de Ruyter begon als lijndraaier op de baan. Janneke Velters sterft dertig jaar na haar man, in 7648, in haar huis in de Nieuwstraat te Vlissingen.

Fiat voluntas Dei8

HuizenHet echtpaar Lampsins-Velters krijgt zoals vermeld twee zonen, Cornelis en Adriaen. Beide broers gaat het in het leven voor de wind, bijna Ietterlijk zelfs. Er wordt gezegd dat de schepen die zij reden zowel bij het uitvaren als binnenkomen goede wind hebben. Handel, kaapvaart, rederij, magistratuur en diplomatie, alles lijken de gebroeders Lampsins te kunnen. Zij behouden en versterken hun hoge positie niet alleen door hun talenten, ook het feit dat vrijwel alle ‘gezeten families’ van Zeeland ergens verwant of gelieerd zijn aan de Lampsins werkt hier aan mee. Cornelis huwt te Vlissingen een burgemeestersdochter, Tanneke Geleijns Boers, gezegd Schot, terwijl Adriaen te Middelburg in het huwelijk treedt met een verre verwante. Josina de Haze is net als haar echtgenoot een nazaat van Oostendse vluchtelingen. Ongetwijfeld zal er een hoge mate van politieke bedachtzaamheid in deze huwelijken aanwezig zijn, Cornelis blijft namelijk in Vlissingen en versterkt aldaar zijn positie. Adriaen vertrekt na zijn huwelijk naar Middelburg om daar zijn intrek te nemen in het huis ‘Bourgogne’ aan de Korte Delft (tegenwoordig Dam 10). Hiermee bevindt Adriaen zich midden in het ‘Zeeuws paradijs van contacten’. Om overal iets van mee te pakken gaan de broers deels hun eigen weg – al blijven ze handelen en reden in compagnie. Cornelis wordt onder andere bewindhebber der WIC en Adriaen bewindhebber der VOC en daarnaast bekleden zij nog enkele functies in de stadsregeringen. Kortom, het belang van de familie is groot in alles.

Het fortuin van de broers was spreekwoordelijk, zo wordt beweerd. Maar toch, Cornelis had genoeg fortuin om een paar buitens te laten bouwen. Zo verrijst in 1633 het buiten Lammerenburg en amper zes jaar later wordt Baskensburg voltooid. De bouw van andere lusthoven zoals Lammerenvliet en Lammerenweyde worden, door de naam, ook toegekend aan de heren Lampsins. Dit is echter niet zeker, alleen van Lammerenweyde weten we zeker dat Cornelis het in bezit had, hij verkocht het namelijk aan de landbouwer Johannes Aarnoudse9. De buitenhuizen van Lampsins zijn geen Iang leven beschoren. Lammerenburg wordt al in 1735 door de familie Lampsins verkocht. De sloop van het lusthof begint zestig jaar later en twee hofsteden, Groot en Klein Lammerenburg komen ervoor in de plaats. Baskensburg ondergaat hetzelfde lot, vermoedelijk nog in de zeventiende eeuw. Maar het is pas in de Tweede Wereldoorlog afgebroken.

De vele Vlissingse Iusthoven. waar vrijwel niets meer van over is, gaven ons wel de namen voor de huidige woonwijken als Lammerenburg, Baskensburg, Bossenburg, Westerzicht. Maar ook het Oost-Souburgse Schoonenburg is vernoemd naar een lusthof. Kortom. stuk voor stuk namen met een rijke geschiedenis.

Cornelis heeft in zijn leven veel bereikt, en dat moest hij vastleggen voor het nageslacht. Op ongeveer vijftigjarige leeftijd laat hij zichzelf portretteren. We zien een man van middelbare leeftijd, trots maar wel calvinistisch gekleed. Hoewel vele personen uit die tijd elkaars evenbeeld zijn, is er in de loop der eeuwen genoeg geïnsinueerd over de reder Lampsins en admiraal De Ruyter. Vermoedelijk zullen we het antwoord nooit vinden, maar de gelijkenis is treffend.

In dezelfde tijd als Cornelis laat ook mevrouw Lampsins zich vereeuwigen. Een zakenvrouw in een zwarte robe, maar wel met het mooiste kant en kostbare sieraden.

Cornelis en Adriaen vatten omstreeks 1654 het plan op om het ontvolkte eiland Tobago10 opnieuw van inwoners te voorzien en te koloniseren. Eerder deden zij dit ook op het eiland St. Maarten11. De kolonisatie van Tobago zal elf jaar duren, en zij noemen het uiteindelijk Nieuw-Walcheren. De Engelsen zijn al langer in de Caraïben, maar bedreigen rond 1660 ook het eiland Tobago. De gebroeders richten zich voor bescherming tot de Staten-Generaal, tevergeefs. Aangezien de Staten zich weinig aantrekken van de verzoeken uit Vlissingen wendt Cornelis zich tot de ambassadeur aan het Franse hof, De Huybert. Deze weet te bewerkstelligen dat de Franse zonnekoning, Lodewijk XlV, hulp stuurt naar Tobago. Daarbij wordt het eiland – wederom op verzoek van Cornelis – onder de protectie van de Franse kroon geplaatst. Lodewijk verheft het eiland namelijk in 1662 tot een Franse baronie en Cornelis wil natuurlijk zelf met die naam gaan pronken. Hij wordt, tegen een forse betaling, verheven tot baron van Tobago12.

Hetzelfde jaar verkrijgt hij ook het lidmaatschap van de prestigieuze Orde van St.-Michèl 13. Dat hij, evenals vele anderen, ook voor dit statussymbool veel heeft betaald is aannemelijk14. Maar met deze orde vergezelde Cornelis vele beroemde namen in West-Europa en hij ontving zowel het draagkruis als het ordeketen15.

Cornelis heeft niet lang van zijn verkregen adeldom kunnen profiteren. De goede wind die de gebroeders al tientallen jaren in de rug hebben, stopt in 1664 als Cornelis sterft op de Nieuwendijk in zijn ‘huis met het torentje’. Zijn broer Adriaen volgt hem twee jaar later te Middelburg.

Opvolging en ondergang

De twee zonen van Cornelis nemen diens aandeel in het handelshuis over en verkrijgen eveneens, met hun oom, de zeggenschap over Tobago. Jan is ten tijde van zijn vaders dood nog steeds een vrijgezelle magistraat, woonachtig in Middelburg16. Geleijn, de jongste zoon, is een Amsterdams koopman en aldaar getrouwd met Aletta Coymans17. De beide broers keren terug naar hun geboortestad en nemen (vermoedelijk) eerst hun intrek in het huis op de Nieuwendijk. Jan verkrijgt Lammerenburg en zijn broer Geleijn het huis Bossenburg, op een steenworp afstand. Uiteindelijk treedt Jan op veertigjarige leeftijd nog in het huwelijk met de Míddelburgse burgemeestersdochter Margaretha Veth, bij wie hij twee zonen krijgt.

De jaren daarop worden de Lampsins geplaagd door een aantal sterfgevallen. De handelsdynastie komt in gevaar. De voorspoed lijkt af te nemen, ondanks de goede behaalde resultaten, en ze raken nu ook Tobago definitief kwijt18. Het enige wat er nog aan het Lampsinstijdperk op Tobago herinnert zijn de Lampsinsberg en de Lampsinsbaai.

ln 1695 overlijdt Jan en zijn weduwe raakt – mede door een klerk op het kantoor, lsaac Hurgronje – verwikkeld in tal van moeilijkheden en processen19. Uiteindelijk ziet zij zichzelf genoodzaakt om enkele onroerende goederen te verkopen en bij diverse familieleden leningen af te sluiten om een faillissement te voorkomen20. Na de afwikkeling van haar zaken verlaat zij Vlissingen en vestigt zich te Middelburg, waar ze in 1713 sterft.

Het voortdurend met uitsterven bedreigde geslacht Lampsins wordt steeds kleiner. Zijtakken van de familie sterven uit of gaan over in andere geslachten. Ook heeft men in de achttiende eeuw te kampen met grote kindersterfte, die zowel bij rijk als arm voorkomt. Uiteindelijk sterft het geslacht in mannelijke lijn uit met het overlijden van Mr. Jan Pieter Cornelis baron Lampsins, raad van Vlissingen en ambachtsheer van Oost- en West-Souburg, directe afstammeling van Cornelis Lampsins, baron van Tobago. Jan had als laatste Lampsins de stad Vlissingen verlaten, omdat hem een zetel werd aangeboden in de Rechtbank van Hoorn. Hier, eveneens in een havenplaats’ sterft hij in 1848, de laatste mannelijke telg van een roemrijk geslacht, nalatend een weduwe maar geen kinderen21

De oudste zus van Jan, Johanna Margaretha Lampsins, was eerder, in 1805, in het huwelijk getreden met Jan van den Velden, burgemeester van Utrecht. Uit dit huwelijk spruiten vier kinderen, waaronder een zoon Jan Jacob. Nadat zijn oom zich in 1845 liet royeren uit de adelstand, vraagt hij vergunning aan de Kroon om, ter nagedachtenis aan zijn jonggestorven moeder22, de naam van zijn moeders familie voor de zijne te plaatsen. De naamswijziging wordt hem toegestaan en sinds maart van dat jaar mag hij – en met hem al zijn nazaten – zich Lampsins van den Velden noemen. De naam Lampsins zonder adeldom is natuurlijk niet acceptabel; en dus komt daar een klein halfjaar later een adelsverheffing voor zijn vader bij’ Jan van den Velden – inmiddels hertrouwd – mag zich voortaan jonkheer noemen’ evenals zijn dochter Constantia Catharina, genoemd naar haar jonggestorven tante,  en de zoon Jan Jacob.

Met deze oplossing hoopt men de naam Lampsins levend te houden. En dat lijkt vruchten af te werpen als Jan Jacob in 1874 in het huweljjk treedt met jkvr. Cathérine Adrienne Jacqueline van den Bosch, en deze, vier jaar later bevalt van een gezonde zoon, Jan Karel. Jan Karel overlijdt echter ongehuwd te Doorn in 1953, waarmee de Lampsins-naam dan echt ter ziele is gegaan.

In de In één der zuidelijke kapellen van de Sint Jacobskerk in Vlissingen hangen 8 rouwborden van het geslacht Lampsins naast het inmiddels als museum ingerichte “Lampsinshuis” aan de Nieuwendijk een blijvende herinnering aan dit eens zo roemrijke geslacht.

Genealogie

I. Cornelis Lievensz. Lampsins, schepen en burgemeester van Oostende (B), Raad (1597) van Vlissingen, schepen  (1601-1618) van Vlissingen en gedeputeerde der Staten-Generaal van Zeeland, geb. Oostende (B) 1540, overl. Vlissingen 24-11-1624. Zoon van Lieven Lampsins en NN Havikskercke. Cornelis huwt Oostende (B) 1578 met Maria Jansdr. Muenicx, geb. Oostende (B) 1533, overl. Vlissingen 14-7-1610, dochter van Jan Muenicx, schepen en burgemeester van Oostende (B)  en Tanneken de Haze.

LieveLampsins  Portret NN van Haveskercke
Lieven lampsins                      NN van Havickskercke

Kinderen uit dit huwelijk:
1. Tanneken Lampsins, geb. Oostende (B) 1565, overl. Veere 8-6-1640. Tanneke huwt met Cornelis Adriaensz. Velters, geb. Oostende (B), overl. Veere 13-11-1602, zoon van Adriaen Marcelisz. Velters en Magdalena Joostdr. de Budt.
Kinderen uit dit huwelijk:
a. Maria Velters, ged. Veere 7-4-1599, overl.ald. 24-7-1667. Maria huwt met Johan Johansz. Kien, geb. Veere 6-8-1601, overl.ald. 6-3-1664, zoon van Johan Kien en Maria Drabbe.

Hun op 7-7-1640 te Veere gedoopte zoon was Luitenant-admiraal en de latere burgemeester van Veere, Cornelis Johansz. Kien (ovl. Veere 1-4-1708)

2. Jan Lampsins, volg II.
3. Lieve Lampsins, geb. Oostende (B) 1579. Lieve huwt Vlissingen 3-6-1599 met Adriana Jansdr. Coolen, geb. Vlissingen, dochter van Jan Lambertsz. Coolen, koopman, burgemeester van Vlissingen en Catharina Boutersem. Zij was weduwe van Johannes (Hans) Willemsz. Rombouts en van Elbert Symonsz. Jonckheyn. Uit het huwelijk met de laatste had zij twee dochters, Adriana en Alida, een stiefdochter Maria en een stiefzoon Willem uit eerdere huwelijken van Elbert met respectievelijk Claesgen Chijs en Lysbeth van Buyl.

1615 Herengracht 196-198

In 1631 bewoonde Adriana het “Blauwe Huijs” aan de Herengracht nr. 196-198 te Amsterdam. Dit pand werd door haar eerste man Hans Rombouts (1562-1624) in 1615 gebouwd. Zij woonde daar met haar kinderen, uit het huwelijk met Hans Rombouts werden geen kinderne geboren, hij stierf kinderloos in 1624.

Op twee stadserven (nummers 27 en 28 in park C), elk breed 30 voet en lang 190 voet, die hij in 1614 elk voor ƒ 4.610 had gekocht, werden ter plaatse twee woonhuizen onder één dak gebouwd. Het complex kreeg een uiterst merkwaardige zesassige, tot en met de zolderverdieping opgaande, daarboven van twee halstoppen voorziene, geheel als rusticawerk behandelde hardstenen gevel, die daarmee direct vooruitliep op enige ontwerpen van Vingboons en slechts door zijn Hendrick-de-Keyserachtige geknikte ontlastingsbogen een kind van zijn tijd was, waarbij 196 groter was dan 198; het in zijn tijd opvallende complex kreeg de naam van ’t Blaeuwe Huys, Het Blaauwhuis of De Blauwe Huizen. Later heette in het bijzonder het grootste Het Blaauwhuis, terwijl 198 voorkomt onder de naam van ’t Kleine Blaauwhuis; Melchior Fockens vermeldt in zijn Beschryvinge der koop-stadt Amstelredam [1662], p.74: “het oude vermaarde huys dat men ’t Blaauw-Huys noemt, van blaauwe steen gebouwdt in ’t jaer 1615“.

De bouwheer heeft er gewoond, eerst met zijn vrouw Susanna Niquet [1569-1618] daarna met zijn tweede vrouw, de Vlissingse burgemeestersdochter Adriana Coolen; hij overleed kinderloos. In 1624 bracht hij het complex onder in het door hem gestichte Romboutsfonds [zie een dossier daarover in het Amsterdamse Gemeentearchief] om uit de opbrengst ervan arme bloedverwanten te ondersteunen; sinds zijn dood was dan ook Het Blaauwhuis in beheer bij de administrateuren van het fonds. De weduwe van Rombouts [die eerder weduwe was van Lieve Lampsins en van Elbert Simonsz. Jonckheyn] heeft het complex in 1631 bewoond met haar kinderen uit een vorig huwelijk [onder wie Alida Jonckheyn [1609-na 1677] sinds 1629 getrouwd met de op de Nachtwacht van Rembrandt afgebeelde mr. Wilhelm van Ruytenburgh [1600-1652], [raad 1639-52, schepen in 1641], met de koopman Jean van Lier [1589-I644] die 181 in 1630 liet bouwen en sinds 1619 getrouwd was met Margaretha Niquet [1599-1652] een broederdochter van voornoemde Susanna Niquet] en met Pieter de Haes. Verder woonden er kinderen van Rombouts in 1612 overleden broer, de koopman en zijdereder Jacques Rombouts onder wie de koopman Jacob Rombouts [1604-37] die sinds 1626 getrouwd was met Geertruyd Arminius, een dochter van de bekende Jacob Arminius [zie Ned. Leeuw XLII/1924, kol. 213]. In 1637 woonde er tevens de lakenkoper Jacques van der Waeyen [1587-1651] die sinds 1621 getrouwd was met Geertruyd Dirks Spiegel [1601-61]. In 1643 stierf in ’t Kleine Blaauwhuis Johannes Gommaerts, een familielid van Hans Rombouts; hij werd in de Zuiderkerk begraven.

 

Kinderen uit dit huwelijk:
a. Elisabeth Lampsins, geb. Middelburg 1602, begr. Amsterdam 14-7-1667. Elisabeth huwt Amsterdam, 10-8-1623 met Jan (Jean) Janssoon van Gheel, koopman, ged. Amsterdam, 11-6-1589, begr. Amsterdam 10-2-1657 (10 februari (1657) Jan van Geel Here graft 8.-.-”; begraafregister Westerkerk), zoon van Johannes (Hans ) Daniëlsz. van Gheel en Maria Coymans.

Jan (Jean) van Gheel Sr. was een „Straetse handelaar”. Onder de naam van Daniël x Jan v. Gheel dreef hij handel op Italië en de Levant. Hij woonde op de Herengracht te Amsterdam. Hij staat soms vermeld als heer van Spanbroek maar dat is waarschijnlijk te wijten dat men hem verwart met zijn zoon Mr. Johannes Jansz. Van Gheel Jr. (1624-1667), want de heerlijkheid komt pas in 1658 in handen van de familie Van Gheel.

In 1628 volgt een testamentaire dispositie voor notaris Frederick van Banchem te Amsterdam van Jan van Geel en zijn vrouw Elisabeth Lampsins.

De familie van Gheel kwam oorspronkelijk uit Antwerpen waar in 1532 een Daniel van Gheel woonde. Zoals zovele anderen in die tijd week Daniel uit naar de Noordelijke Nederlanden. Zijn zonen en kleinzonen kregen belangen in Amsterdam en Middelburg. Jean van Gheel trouwde met de Middelburgse Elisabeth Lampsins, en zij kregen drie kinderen, waaronder een Johannes van Gheel.

Deze Johannes van Gheel is een in een reeks heren van “Spanbroek, Spierdijk en Suijdermeer”, die begon toen Jacoba van Beieren op 5 november 1429 Adriaan van Ghent, heer van Giesen, met de heerlijkheid Spanbroek beleende.

In 1658 krijgt Mr. Johan van Gheel (Jr.) de heerlijkheid Spanbroek, Spierdijk en Suijdermeer in zijn bezit voor de koopsom van f 36.000,-. De koopakte werd verleden voor notaris Pieter van Groenevelt en getuigen te ’s Gravenhage. Bij zijn inhuldiging als heer van Spanbroek kreeg hij de gebruikelijke inhuldigingssom, die 649 gulden en 10 stuiver bedroeg.

Johannes van Gheel bleef vrijgezel. Toen hij eens zwaar ziek lag in het huis “t Clooster van Heemstede te Haarlem, vermaakte hij bij testament voor notaris Van Kittesteijn te Haarlem op 20 december 1665, al zijn bezittingen, waaronder de heerlijkheid Spanbroek, aan zijn moeder Elisabeth Lampsins, ook wel geschreven als Lampsius,weduwe van Jean van Gheels.

Drie jaar later overlijdt Johannes van Gheel. Volgens het grafschrift op 27 maart 1668, vrij plotseling en 43 jaar oud (Uit bepaalde documenten trekken sommige historici de conclusie dat die datum 27 maart 1668 niet klopt en waarschijnlijk 27 maart 1667 moet zijn, dus een jaar eerder, zie ook vorenstaande opmerkingen).

Na zijn overlijden werd zijn lichaam begraven in de Nederlands Hervormde kerk te Spanbroek. Niet zomaar een graf. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat Johannes van Gheel in de twintig jaar dat hij de Heerlijkheid bezat een goede verstandhouding en samenwerking had met bestuur en inwoners van Spanbroek. De beroemde beeldhouwer Romboud Verhulst (1624-1698), bekend o.a. van het grafmonument van Michiel de Ruijter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, maakte dit gedenkmonument voor Johannes van Gheel. Het bevindt zich tegen de wand van de koorsluiting en boven de grafkelder waar behalve Johan van Gheel nog twee familieleden zijn begraven.

Grafmonument Van Gheel wf_ten_13_51a

Zijn grafschrift in het latijn, begint al dus:
Adsta Viator!
Oftewel: Sta stil Wandelaar!

De verdere vertaling luidt:
Onder deze marmeren bedekking rust het lichaam van den Doorluchtigen Heer Joannes van Gheel, ridder, Ambachtsheer van Spanbroek, Spierdijk en Suijdermeer etc. etc.
De ziel van den, op den 27sten Maart in het jaar, onzes Christelijken Heils 1668, op den leeftijd van 43 jaar, door een overhaasten dood weggerukte, zoekt den hemel terug, zijn oorsprong, in afwachting van den jongsten dag, waarop hij in een verheerlijkt lichaam zal wederkeren.

b. [mogelijk] Cornelis Lampsins
4. Jacob (Jacques) Lampsins, geb. Oostende (B), overl. Vlissingen 6-4-1615. Jacob huwt met Jacomina Pietersdr. de Swaen, geb. Nieuwpoort (B), overl. Vlissingen 24-11-1613, dochter van Pieter Reyniersz. de Swaen en Tanneke Verbeeke.
Kinderen uit dit huwelijk:
a. Jan Lampsins, ged. Vlissingen 24-12-1600.
b. Tanneke Lampsins, ged. Vlissingen 8-2-1602, overl. Vlissingen 4-1-1624.
c. Marijken Lampsins, ged. Vlissingen 28-12-1603.
d. Maaijken Lampsins, ged. Vlissingen 30-5-1605. Maaijken huwt Vlissingen 12-10-1632 met Frederik van Roubergen, van Middelburg, deurwaarder, registrateur der Staaten en slavenhandelaar, weduwnaar van Josina van Zuijdlant. Frederik bezat een plantage op St. Christoffel.
e. Jaquemintje Lampsins, ged. Vlissingen 7-11-1606.
f. Catelijntje Lampsins, ged. Vlissingen 11-12-1607.
g. Cornelis Lampsins, ged. Vlissingen 17-8-1608.
h. Elisabeth Lampsins, ged. Vlissingen 31-1-1610. Elisabeth huwt Vlissingen 21-3-1634 met Nicolaes Jansz. van der Merct, ged. Amsterdam 3-7-1601, overl. Middelburg 29-11-1669, zoon van Johan Pietersz. van der Merct en Elisabeth Hendricksdr van Breusechem.

In 1634 wordt er een Akte van huwelijksvoorwaarden tussen Nicolaas van der Merct en Elisabeth Lampsins en staten van ten huwelijk aangebrachte goederen opgemaakt.
Er wordt een proces gevoerd voor de Raad van Vlaanderen over de verdeling van de nalatenschap van Clara Swaen, weduwe van Jacques de Waverans, en het beheer door Nicolaas van der Merct van de goederen uit deze nalatenschap die zijn toebedeeld aan Jacoba Lampsins. Clara Swaen wordt tante van Jacoba Lampsins genoemd en Elisabeth haar zuster.

i. Jacoba Lampsins, geb. Vlissingen, overl. Utrecht 5-5-1667. Jacoba huwt Vlissingen 19-9-1634 met Carel Jansz. Martens, Raad van Amsterdam, gecommitteerde namens Zeeland in de Generaliteitsrekenkamer (18-05-1680 – 09-05-1686), ged. Amsterdam 25-1-1602, overl. Utrecht 20-5-1649, weduwnaar van Petronella van Voorst (1599-1630), zoon van Johannes (Hans) Franssen Martens en Mayken Baccher.

De doop van Jacoba is niet gevonden, maar Elisabeth wordt als middelste zuster geduid, dus moet Jacoba na 1610 zijn geboren.

Carel Martens stamt uit een familie uit Vlaanderen die voor de godsdienstvervolging gevlucht is naar de noordelijke Nederlanden. In de 16de eeuw woont de familie in Amsterdam, maar al snel verhuizen zij naar Utrecht. Carel studeert in Leiden, want in Utrecht is nog geen universiteit. In 1628 wordt hij ingeschreven als advocaat aan het Hof van Utrecht. In 1630 sterft zijn echtgenote, Petronella van Voorst, samen met haar pasgeboren zoontje.

Carel Martens  Jacoba Lampsins
Carel Martens                       Jacoba Lampsins

Het duurt even voordat Carel Martens opnieuw wil trouwen. In 1634 is hij weer verliefd. Het gaat om Jacoba Lampsins uit Vlissingen. Op 1 februari 1634 vertrekt hij naar Zeeland om haar het hof te maken. Jacoba maakt veel indruk op hem. Als hij terug is in Utrecht, schrijft hij haar regelmatig. Hij dateert zijn brieven in oude en nieuwe tijdrekening: in Utrecht is de oude tijdrekening nog in gebruik, terwijl het volgens de nieuwe tijdrekening in Holland en Zeeland al tien dagen later is. Op 12 april 1634 vertrekt Carel opnieuw naar Zeeland, voor een verblijf van vier weken. Dan worden er echt trouwplannen gemaakt. Op 12 juli reist Carel weer naar Zeeland. Hij neemt 600 gulden mee om de bruiloft en de cadeaus voor Jacoba te betalen. Op 19 september trouwen Carel en Jacoba. Op de bruiloft wordt nog eens voor 278 gulden aan wijn gedronken. Carel heeft een nieuw kostuum laten maken voor 67 gulden. Carel en Jacoba gaan in Utrecht wonen, in het huis aan de Nieuwegracht dat Carel al jarenlang huurt van Marichie Bruijnincks. De meeste meubels uit de tijd dat Carel met Petronella hier woonde, staan er nog. Maar samen met Jacoba koopt hij toch voor 200 gulden nieuw meubilair en huisraad.

1624: Akte van toestemming van het Hof van Utrecht aan Carel Martens om ten overstaan van een notaris over zijn goederen te beschikken
1624: Testament van Carel Martens.
1627: Akte van huwelijksvoorwaarden tussen Carel Martens en Petronella van Vorst (concept).
1628: Mutueel testament van Carel Martens en Petronella van Vorst.
1630: Codicil van Petronella van Vorst.
1635: Akte van huwelijksvoorwaarden tussen Carel Martens en Jacoba Lampsins en inventaris van hun goederen, met aantekening betreffende financiële afspraken.
1636: Akte van toestemming van het Hof van Utrecht aan Carel Martens en Jacoba Lampsins om ten overstaan van een notaris over hun goederen te beschikken.
1636: Mutueel testament van Carel Martens en Jacoba Lampsins.

Carel sterft in 1649, Jacoba in 1667. De liefdesbrieven die Carel aan Jacoba stuurde, maken nu deel uit van het archief van de familie Martens.

Transcriptie van de liefdesbrief van Carel Martens aan Jacoba Lampsins

Eerbare deuchtrijcke seer discrete jonckvrou
Driemael hebben ick mij verstout U Edele met briven te begroeten ende te bethoonen, soo wel door die middel, als mondelinge verclaringhe U Edele daertevoorens gedaen, dat mijn gesette affectie ende sonderlinghe getrouwe liefde tot U E sal sijn ende blijven onveranderlick;
’t gemeen spreeckwoort seydt, dat den aenhouder verwint. Nu bidde ick U Edele oedtmoedich, dat U Edele mijn dienaengaende oock geluckich gelive te maecken, ende dat mijn aengevangen Christelick werck bij U Edele suclxs mach sijn besteedicht, dat ick oorsaecke mach hebben mij te roemen, dat hoewel mijn importuen aenhouden, door Goodes genadighe bestieringhe, mij eenichsins de eere van victorie mijner lieffelickes oorloochs medegebracht hadde, dat het nochtans gans niet en is in comparatie vande overgroote discretie ende goedertieren gunste daermede U Edele haer tot mij gelive mochte genegen te thonen. Dese bede mejonckvrou, hebbe ick bij dese occasie U Edele nochmaels moeten doen bij geschrifte, soo ick hoope daerin te continueren totter tijdt toe, dat ick de eere sal mogen geniten, een briefken van U Edele gunstighe handt te ontfangen betuygende dat mijne wederkomste U Edele niet onaengenaem soude wesen, omme alsoo nae vereijsch der saecke U Edele te bethonen de devoiren van mijnen willigen schuldigen plicht als sijnde ende blijvende onveranderlick, nae mijnen diensts presentatie, ende iterative (herhalende) recommandatie, in U Edele goede gunste.
Eerbare, deuchtrijcke seer discrete jonckvrou
U E rechtgetrouwen ende geaffectioneerde Dienaer Carel Martens
Tot Utrecht, den 13/23 Martij 1634.
” 

1634-2 1634-1

5. Maaijken/Maria Lampsins, geb. Oostende (B) 1685, begr. Vlissingen 12-9-1636.

In de stukken betreffende het beheer en de verdeling van de nalatenschap van Mayken Lampsins, wordt zij tante van Jacoba Lampsins genoemd.

6. Cornelis Lampsins, geb. Oostende, ovl. Vlissingen 2-4-1625, begr. ald. 8-4-1625. Cornelis huwt Vlissingen 20-6-1593 met Maaijken Charels, j.d. van de Groe (=Groede).
II. Jan (Johan) Cornelisz. Lampsins, reder, poorter van Vlissingen (26-6-1597), koopman en bewindhebber der Noordsche Compagnie, geb. Oostende, overl. Vlissingen 2-2-1619. Jan huwt Vlissingen 2-6-1594 met Johanna/Janneke Adriaensdr. Velters, geb. Oostende (B), overl. Vlissingen 25-5-1648, begr. ald. 26-5-1648, dochter van Adriaen Marcelisz. Velters en Magdalena Joostdr. de Budt (zie ook bij I.1.).


Jan Lampsins
Jan (‘ Jantje’) Lampsins, geschilderd als jonggezel

Jan was koopman en feitelijk de eerste werkgever van Michiel de Ruyter als oprichter en eigenaar van de bekende lijnbaan in Vlissingen. Na zijn dood werd dit bedrijf voortgezet door zijn weduwe Janneken Velters met hun zonen Adriaen en Cornelis Lampsins.

Na het overlijden van Jan in 1619 volgt een opsomming van de ‘posten’ bestaande uit schulden, aandelen en inkomsten van de lijnbaan en rederij van de heren Lampsins, die moeten worden toegevoegd aan zijn boedel.

Kinderen uit dit huwelijk:
1.  Adriaen Lampsins, volg III.
2. Cornelia Lampsins (Lamsens), geb. Vlissingen tussen 1594 en 1599, begr. ald. 14-2-1636. Cornelia huwt 1e Vlissingen 21-6-1624 met Abraham Schoor, jongeman van Aken en 2e Vlissingen 24-1-1634 (Aantekening bij huwelijk: “moeten beijden op de weeskamer komen”, wat duidt op kinderen uit beide eerdere huwelijken) met Jan Pietersen Seijlmaker, raad en schepen van Vlissingen, weduwnaar van Magdaleentie Velders. Na het overlijden van Cornelia in 1636 hertrouwt (in de Franse Kerk) Jan (ondertr. Vlissingen 12-12-1637) met Anna Cardon, weduwe van Charles Muijsson. Hij overlijd te Vlissingen in 1665.
3. Maria Lampsins, geb. Vlissingen tussen 1594 en 1599. Maria huwt 1e Vlissingen25-10-1622 met Mr. Adrijanus Nicolaï, raad en schepen van Vlissingen, secretaris van de Admiraliteit in Zeeland, gedeputeerde ter Staten-Generaal. Geb. Vlissingen, ovl. ald. 20-7-1632 (1633).

In 1626 werden er grove oneerlijkheden bij het beheer ontdekt waarvan het gevolg was dat Nicolai voor drie jaren uit de provincie Zeeland werd gebannen en tot eene boete veroordeeld van 4000 £ vl. (Vgl Jacob Loys, Beschrijving van Rotterdam , ‘s-Gravenhage 1746, blz. 132).

Maria huwt 2e Vlissingen 11-10-1644 met Adriaen Willeboorts, lid vroedschap Vlissingen, geb. Vlissingen 1607, overl. ald. 1660, weduwnaar van Louise de Burghgrave, zoon van Willeboort Adriaensz. Willeboorts ter Stoepe en Janneke Pieters.

4. Magdalena Lampsins, ged. Vlissingen 22-8-1599, jong overleden.
5. Cornelis Lampsins, Koopman, Reder, raad van Vlissingen (1631), schepen van Vlissingen, burgemeester van Vlissingen (1650-1652), gedeputeerde ter Admiraliteit, Baron van Tobago (1662), bewindhebber der West-Indische Compagnie (1633), ged. Vlissingen 17-9-1600, begr.ald. 2-9-1664. Cornelis huwt Vlissingen 15-2-1628 met Tanneke Geleynse Boens, gezegd Schot, geb. Vlissingen, begr. ald. 9-11-1661, dochter van Geleyn Boens (Bouwenszn.) en Mayken Adriaensdr. Cau.

Cornelis Lampsins  Tanneke Geleyns Boers
C
ornelis Lampsins                   Tanneke Geleijns Boens

Cornelis bouwde en bewoonde in zijn geboorteplaats een aanzienlijke huis op den Nieuwen Dijk. Later waren hierin de kantoren van het Nederlandse Loodswezen gevestigd en tegenwoordig bevindt het MuZEEum zich in dit gebouw, wat op de fraaie gevel nog steeds het jaartal 1641 draagt.

In het jaar 1633, toen hij bewindhebber der West Indische Compagnie was geworden, liet hij het buiten Lammerenburg, waarvan een geschilderde afbeelding te Middelburg wordt bewaard, niet ver van Vlissingen opnieuw aanleggen.

Cornelis Lampsins wordt op 28 augustus 1662 door de Franse zonnekoning Lodewijk XIV verheven tot Frans baron voor zichzelf en zijn mannelijke en vrouwelijke wettige afstammelingen; met de titel van Baron van Tobago onder het recht van eerstgeborene. Het Adelsdiploma waarbij Koning Lodewijk XIV van Frankrijk Cornelis Lampsins, oud-burgemeester van Vlissingen, verheft tot baron van Tobago, uitgevaardigd te St.-Germain-en-Laye, met het zegel van de koning en de wapenafbeelding van de baron van Tobago, van augustus 1662, is te vinden in het Zeeuws archief.

Kinderen uit dit huwelijk:
 a. Johan Lampsins, raad van Vlissingen, schepen van Vlissingen, ged. Vlissingen 16-12-1629, overl. Middelburg 28-3-1695. Johan huwt met Margaretha Veth , ovl. Vlissingen 15-9-1713, dochter van Appolonius Jansz. Veth en Cornelia Remoens.

Johan Lampsins, baron van Tobago
J
ohan Lampsins Baron van Tobago

b. Geleyn Lampsins, heer van Brigdamme, geb. Vlissingen 21-1-1633, ovl.ald. 18-1-1686. Geleyn huwt Amsterdam (ondertr. Amsterdam 2-11-1660 en Vlissingen 22-11-1660) met Aletta (Metta) Co(e)ymans, ged. Amsterdam 16-8-1643, overl. Vlissingen 1693, dochter van Balthasar Balthasarsz. Co(e)ymans, heer van Streefkerk (1589-1657) en Maria Trip (1619-1693). Aletta hertr. Vlissingen 27-4-1690 met Mr. Nicolaes Dag (Dagch), geb. Edam 23-6-1640, ovl. Vlissingen 30-4-1715, weduwnaar van Catarina Bosschaert en van Anna Pijl, predikant, zoon van Dr. Cornelis Dagch, medisch docter en Jannetje Blekers.

Maria Trip (door Rembrandt geschilderd)
M
aria Trip

Geleyn kocht in 1680 de heerlijkheid Brigdamme, wiens zoon Cornelis daarvan bezitter werd op 25-11-1686 en de zoon van dezen (de kleinzoon van Geleyn), Cornelis op 12-5-1717 tot aan 1747.

Na het overlijden van Aletta gaat Nicolaas in ondertrouw met Petronella de la Palma, j.d. van Vlissingen. Staande onder de geboden kregen zij onenigheid en dit huwelijk is niet doorgegaan.
Nicolaas was Proponent onder de Classis van Walcheren. Predikant te Philippine op 17 april 1670. Te Koudekerkeop  6 november 1678. Te Vlissingen beroepen op 2 februari 1687, aldaar bevestigd op 13 april 1687 en daar overleden.

6. Janneke Lampsins, ged. Vlissingen 16-9-1603, jong overleden.
7. Janneke Lampsins, ged. Vlissingen 22-2-1605, jong overleden.
8. Lieve Lampsins, ged. Vlissingen 19-7-1606, jong overleden.
9. Magdalena Lampsins, ged. Vlissingen 24-7-1608.
10. Johanna Lampsins , ged. Vlissingen 2-5-1610. Johanna huwt 1e Vlissingen 24-5-1633 met Cornelis Anthonisz. de Witte, ontvanger der 100e en 200e penning over de gewesten beoosten Goes (1631), geb. Goes, ovl. Vlissingen 1647, zoon van Anthoni Cornelisz. de Witte, rentmeester van de Staten voor Goes en Zuid-Beveland (1610), ontvanger der 100e en 200e penning over de gewesten beoosten Goes (1621) en Elizabeth Jansdr. Bijle. Johanna huwt 2e Vlissingen 30-12-1664 met Mr. Josias (Jan) de Jager, burgemeester van Goes, weduwnaar van Olympia Princen.

Voor notaris Pieter Cornelisz. van Levendaele te Goes zijn op 30-10-1603 gecompareerd Anthonij Cornelis de Witte ende Lijsbeth Jans Bijledr, zijne huijsvrouwe, poorters van Goes, ende hebben verclaert dat in dit jegenwoordigh instrument, (twelc met hun eijghen handtgescrift onderteeckent met zijn cachet besloten es) gescreven staet haer testament ende vuijtterste wille. Dwelcke zij begheren dat zulcx van waarden gehouden etc. naestlesten octobris 1603, ter presentie van Jacob Euwoudsz en Jacob Laureijs (RAZE 2042, fol 194: superscriptie testamenti clausi). Anthonij en Lijsbeth worden in het archief van deze notaris wisselend poorter en inwoner van Goes genoemd.

Bij het overlijden van haar eerste echtgenoot Cornelis, waren haar vier kinderen Johan, Cornelis, Anthonie en Boudewijn de Witte respectievelijk 12, 11, 9 en 6 jaar. Haar broer Adriaen Lampsins en zwager Johan Hogesteger (gehuwd met Margaretha de Witte) werden voogd van de kinderen.

Het ‘grote huis’ van de heer De Witte, op de Grote Markt te Goes, werd gekocht “met afgeleyde rentebrieven”. Johanna Lampsins heeft hierdoor een schuldbekentenis op haar naam staan voor een bedrag van 1432 gulden en 15 stuivers te betalen aan Wigbolt van der Does, heer van Noordwijk.

Haar zonen en stiefzoon blijken echte globetrotters te zijn. Gijsbert Janse, haar stiefzoon uit het huwelijk met Johan de Jager, schrijft haar vanuit Cadiz en bericht over handelszaken, een nieuwjaarswens en nieuws van zijn ’broer’ Boudewijn uit Rouen, de brieven worden verzonden via Antonio de Witte die zich in in Bilbao bevindt. Zoon Cornelis Jr. schrijft haar vanuit Jerez nabij Cadiz.

Kinderen uit dit huwelijk:
a. Johan (Jean) de Witte, koopman, kapitein bij de Admiraliteit van Amsterdam, fiscaal aan boord van de vloot van Michiel Adriaensz. de Ruijter (1664), kapitein van een regiment mariniers, geb. Goes 4-3-1635, ovl. In zee (nabij Camperduin) 16-11-1683 (als gevolg van een storm). Johan huwt Vlissingen 20-9-1659 met Cornelia (Neeltje) de Ruyter, geb. Vlissingen 20-9-1639, ovl. Amsterdam 11-1-1720, dochter van Michiel ‘Bestevâer’ Adriaenszoon de Ruyter, admiraal en Cornelia (Neeltje) Engelsdr. Het gezin is woonachtig aan de Leuvehaven te Rotterdam.

Witte en Ruyter

Johan maakte zowel de zeeslagen van 1666 als de tocht naar Chatam in 1667 mee.

Jean de Witte schrijft aan boord van het Schip ‘Woerden’ liggende 3 mijl van Westkapelle over geleverde proviand en verversingen en berichten over de ‘vagebond’ Potts met enkele toegevoegde woorden van zijn zonen Machiel en Cornelis de Witte aan boord van de ‘Schoonevelt’.

Neeltje ontvangt rekeningen en kwitanties van de kosten voor de uitvaart van haar man Johan en zoon Michiel, beiden omgekomen ter hoogte van Kamperduin in de storm van 16 november 1683 bij het vergaan van het schip ‘Woerden’.

Middels een beschikking van de burgemeesters van Amsterdam wordt het verzoek van Neeltje ingewilligd om de wapens van wijlen haar man en zoon, Johan en Machiel de Witte, te mogen ophangen bij de graftombe van admiraal Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waarin zij “op heden staan begraven te worden”.

Blijkens de aanwezige documenten heeft hun zoon Cornelis de Witte zich intensief bezig gehouden met een aantal erfeniskwesties, die gecompliceerd waren door jong overlijden van ouders en onderlinge huwelijken tussen leden van welgestelde regentenfamilies in Vlissingen, Middelburg en Goes.

De voornaamste kwestie betrof zijn erfdeel van vaderszijde. Daarbij kwam hij in conflict met grootmoeder Johanna Lampsins, weduwe van Cornelis de Witte (1647) en later van Johan de Jager (1665), wier broers, de reders , kooplieden en eigenaren van de lijnbaan in Vlissingen Cornelis en Adriaan Lampsins tot de rijkste mannen in de Republiek hadden behoord. Het feit dat zij Johan Huydenraet, een kleinzoon in vrouwelijke lijn, tot universeel erfgenaam zou hebben benoemd leidde tot “de grote zaak” die zich jaren zou voortslepen en in hoger beroep bij de Hoge Raad werd behandeld. Na afloop werden de processtukken teruggezonden. Mr Johannes Huydenraet was in 1664 te Leiden tot meester in de rechten gepromoveerd op het proefschrift “Disputatio juridica in auguralis, de jurisdictione …”.

Ook andere familieleden procedeerden, zoals Johanna Lampsins, weduwe van Samuel Schorer (mede namens Johan Schorer) tegen Johanna Lampsins en Thomas Potts (tweede echtgenoot van Alida de Ruyter) en zijn dochters Anna, Alida en Sara tegen Johan Huydenraet.

Dat deze erfenis kwestie hoog opliep mag blijken uit een attestatie op verzoek van advocaat Johan Huydenraedt te Vlissingen afgelegd door stadscipier Heyndrick Smith op 22 januari 1688 voor notaris Jacob Bogaert te Vlissingen verklarende dat Cornelis de Witte zijn grootmoeder Johanna Lampsins, laatst weduwe van burgemeester Johan de Jager, op haar sterfbed heeft uitgescholden voor beest en vuile hoer wiens duivels goederen hij niet begeert. Johanna Lampsins zend Neeltje later een brief met klachten over het gedrag van kleinzoon Cornelis de Witte die haar en de heer Huydenraet toen hij bij haar logeerde heeft uitgescholden, waarna hij is vertrokken naar zijn neef Thyssen en oom Potts.

Na het overlijden van Neeltje in januari 1720 wordt er, op verzoek van Coenraad de Wilhem, echtgenoot van Margaretha Somer, en van Alida en Sarah Potts als executeur testamentair, inventaris van de nagelaten goederen van Cornelia de Ruyter opgemaakt.

Hierna wordt een akte van boedelscheiding van de nalatenschap van Cornelia de Ruyter verleden voor notaris Leonard Noblet te Amsterdam.

Er volgen dan twee openbare verkopingen van goederen uit haar nalatenschap. Eén door door makelaars Hermanus Blom en Daniel Kruyskerk op 19 februari 1720 van de woning van Cornelia de Ruyter aan de Binnen Amstel tussen de Heren- en de Prinsengracht te Amsterdam, en één door de makelaars Pieter en David Raket op 24 april 1720 van inboedel, huisraad, bijzondere stoffen en ‘kraakporcelijn’ ten huize van de overleden Cornelia de Ruyter te Amsterdam.

b. Cornelis de Witte Jr., geb. Goes ± 1636.
c. Anthonio/Anthonie de Witte, geb. Goes ± 1638.
d. Boudewijn de Witte, geb. Goes ± 1641.

Boudewijn voert een proces tegen zijn moeder Johanna Lampsius over de rekening en verantwoording van zijn vaders versterf, waarover zij gedurende zijne minderjarigheid het bewind heeft gevoerd.

Boudewijn wordt volgens de verklaring van de Franse kolonel graaf de Sault te Utrecht, krijgsgevangen gemaakt in Den Haag.
Boudewijn wordt door de prins van Oranje (Willem III) benoemd tot vaandrig in de compagnie van kapitein Carpenter.

Boudewijn krijgt orders van luitenant Arnout Huingha, commandant van de vesting Bellingwolde om zich met zijn militie terug te trekken in het kwartier van de Bonenschans.
Boudewijn krijgt van de prins van Oranje, op diens eigen verzoek, toestemming om zich te begeven naar de oorlogsvloot en zich in te schepen op ‘De Provincie van Utrecht’ onder commando van kapitein Johan de Witte.

Boudewijn wordt door de prins van Oranje (Willem III) benoemd tot luitenant in de compagnie van kapitein De Puis (du Pui). 

Er wordt door sergeant-majoor Andries du Plessis de la Primay te Mechelen een vrijgeleidebrief afgegeven voor luitenant Boudewijn de Witte om zich in dienst van de koning van Denemarken te begeven met een verklaring van Johan de Witte over terugkeer naar zijn garnizoen.

e. Margaretha de Witte, geb. Goes. Margaretha huwt Johan Hoogsteger (ook geschreven als Hoogesteijger of Hoogesteeger), weesmeester en schepen te Goes, Ontvanger der 100ste penning over de gemeten en boomgaarden, bewesten Goes (1626), schepen van Goes (1626).

Na het overlijden van haar man Johan volgt de boedelscheiding tussen Margrieta de Witte, weduwe van Johan Hoogesteger, en haar kinderen mr. Cornelis, Geraert en Maria, deze wordt middels akte op 12 mei 1665 verleden voor notaris Johan van Dijck te Den Haag. Er is een akte van volmacht van de meerderjarige Cornelis, predikant te Kattendijke, voor zijn moeder en een lijst van de verkaveling van landerijen onder de drie kinderen.

Tante Margarita de Witte te Goes, weduwe van Jean Hoogesteijger, ontvangt een brief van haar neef Boudewijn de Witte te Middelburg waarin hij haar bericht dat hij zee kiest om het ‘duivelshuis’ te Goes te kunnen verlaten, ook al heeft zijn moeder [Johanna Lampsins] hem niet meer dan 100 gulden meegegeven voor de reis. De familieverhoudingen binnen de familie de Witte waren flink verstoord.

 III. Adriaen Jansz. Lampsins, bewindhebber der Oost-Indische Compagnie (Kamer Middelburg), geb. Vlissingen tussen 1594 en 1599, overl. Middelburg 1665. Adriaen huwt Middelburg (ondertr. Vlissingen 6-1-1629) met Jozina (Josijna) Huijbertsdr. de Haze (Has(s)e). geb. Middelburg 23-5-1607, overl. ald. 30-7-1682, dochter van Huijbrecht Jacobsz. de Haze en Johanna Wellin.

Adriaen vestigde zich te Middelburg, alwaar hij tot aan zijn overlijden woonachtig is aan de Korte Delft in het huis Bourgogne.

Reder Adriaen Lampsins had een schip naar de familie van zijn vrouw genoemd, “de Haze”. “De Haze” (26/29) een door de Zeeuwse admiraliteit van de Rederij Gebr. Lampsins ingehuurd koopvaardijschip voor ’s Lands vloot voor de Slag bij St Vincent onder Admiraal A. Gijsels, op 4-11-1641.

In 1656 draagt Adriaen, koopman te Middelburg, een perceel zaailand in de Zuidwateringe in de Haeyman in de “Krieckhouckblock” over aan Jacoba de Jonge, weduwe van mr. Christiaen van der Goes.

Kinderen uit dit huwelijk:
1. Jan/Joan de Lampsius, overl. vóór 26-12-1682.
2. Mr. Hubertus/Huybert Lampsins, raadmeester in de Rade van Vlaanderen, geb. Middelburg 1639, overl. vóór 30-3-1681.
3. Adriaen Lampsins, volg IV.

 

IV. Adriaen Adriaensz. Lampsins, Heer van IJsselmonde, Ridder, Opperkerckmeester, Administrateur der Kerckegoederen te Den Haag, geb. Middelburg 1636, overl. IJsselmonde 1682 (Uit de jaarrekeningen Kerkvoogdij, inv. 171 GAR; “ontfangen vant graff int koor van de weledele heere Adriaen Lampsins  heer van ijsselmonde   de somme van 25 guldens en 4 stuivers“). Adriaen huwt met Maria Hooftman, ged. Amsterdam (Oude Kerk) 28-10-1638, overl. in of rond 1707, dochter van Zacharias Harmensz. Hooftman (1605-1648), heer van de Hennyptuin en Eva Hendriksdr. Voet(s) (1616-1653).

Inventaris van de goederen bevonden int sterffhuijs van za. Eva Voets weduwe wijlen Zacharias Hooftman overleden op de Heeregracht in St. Bavo waerom de meeste meuble goederen sijn gekomen aen den voors. Zacharias Hooftman volgens den inventaris daervan onder de handt van Juffr. Voets weduwe Hooftman neffens de voogde gemaeckt op den 5-en Meij 1648 tot Haarlem als mede van de meuble goederen gekomen uijt den sterfhuijs van haer vader d’heer Henrick Voet aldaer gebracht mitsgaders eenige meublen berustende ten huise van Sr. Lambert Leyssen mede metten boel van Zacharias Hooftman uytten name ende van wegen d’eer. Abraham Alewijn ende Jan Fonteijne voogden over de naegelaten kinderen wijlen Juffr. Voet voorn”.

Ridder Adriaen Lampsins koopt het Oostambacht van IJsselmonde en het bijbehorende  kasteel, inclusief alle roerende en onroerende goederen voor een bedrag van ƒ 108.000,- van Isabella Franchoise de Merode.

Hiertoe volgen in 1664 achtereenvolgens
– de Akte van procuratie, gepasseerd voor notaris Pieter van den Dunghen te Brussel, waarin Maximiliaen de Merode en de curator over Isabelle Margriete Franchoise de Merode machtiging verlenen aan de rentmeester van Ridderkerk om met Adriaen Lampsins de kooppenningen voor het Oostambacht te liquideren
– de Akte van verkoop, gepasseerd voor notaris Pieter van den Dunghen te Brussel, waarin de curator over Isabelle Margriete Françoise de Merode het Oostambacht inclusief het kasteel met inboedel en toebehoren voor een bedrag van fl. 108.000,= verkoopt aan Adriaen Lampsins
– de Akte, waarin Philips Rijkenwaert, heer van Tiberschamps, verklaart op last van Maximiliaan, vrijbaanderheer en graaf van Merode, verkocht te hebben aan Adriaen Lampsins de ambachtsheerlijkheid en het kasteel van Oost-IJsselmonde
De akte van transport, van de verkoop van de ambachtsheerlijkheid van Oost-IJsselmonde met het kasteel en verdere toebehoren door de gevolmachtigden van de graaf en gravin van Merode (Isabella Franchoise de Merode) aan ridder Adriaen Lampsins, wordt op 5-7-1664 verleden voor notaris Peeter van den Dunghen te Brussel  Adrtiaen koopt de heerlijkheid Oost-IJsselmonde, met inbegrip van het kasteel, meubilaire goederen enz. voor een bedrag van ƒ108.000,-.

In 1664 worden de allodiale goederen in de heerlijkheid, die Adriaan Lampsins heeft gekocht van de curatoren over de markiezin van Westerloo getaxeerd door schout en heemraden van IJsselmonde en brengen zij hier een taxatierapport van uit. Als koopman en Zeeuw wilde hij natuurlijk wel weten of hij een goede koop had afgesloten.

In 1666 volgt dan tenslotte de staat van liquidatie van de koopsom van de ambachtsheerlijkheid tussen Adriaen Lampsins en mr. Henrick van Erckel, gemachtigde van Maximiliaen graaf de Merode (echtgenoot en gemachtigde van Isabella de Merode).

Op 31-5-1672 maken Adriaen Lampsins, ridder, heer van IJsselmonde en Maria Hooftman een mutueel testament op voor notaris Pieter de Weerdt te IJsselmonde.

De nieuwe eigenaar van Oost- IJsselmonde bezorgt het kasteel een roemloos einde. Geen glorievol einde na felle en verbeten strijd, geen eervol sneuvelen door de wrekende hand van een sterkere tegenstander, neen, het slot werd eenvoudig afgebroken, omdat het de heer Lamsins blijkbaar niet beviel. Nuchterder kan het al niet. Op dezelfde plek, op de funderingen van het oude, liet hij een ander kasteel bouwen naar zijn eigen smaak. Dit werd het vierde, en laatste, kasteel van IJsselmonde. Het nieuwe slot had een vierkant tot grondslag. In het midden stond een vierkant gebouw en aan de hoeken waren achtkantige torens aangebracht. Lange tijd kon men, na de afbraak in 1900, de grondslagen nog zien, als men op het vierkante grasveld stond aan de Benedenstraat. Na de verlegging en ophoging van de Oostdijk in het kader van de Deltawerken zijn alle sporen verdwenen en herinnert alleen het overgebleven Koetshuis en een stukje kademuur van de oude slotgracht aan het kasteel. Lang heeft ridder Lampsins niet van zijn nieuwe onderkomen kunnen genieten, in/rond 1681 overlijdt hij en in 1685 verkoopt zijn weduwe, Maria Hooftman, het ambacht en kasteel aan de Rotterdamse notabele Jean de Mey. Bij arrest van het Hof van Holland wordt de koop uiteindelijk bevestigd, want de verkoop schijnt niet zo vlot verlopen te zijn, te oordelen naar de verschillende processen, die over deze kwestie zijn gevoerd.

1732
Kasteel IJsselmonde met de, na de herbouwing door Adriaen Lampsins, kenmerkende achtkantige torens

De verbouwing van het Kasteel en haar omgeving heeft Adriaen zoveel geld gekost, dat zijn weduwe na zijn overlijden met flink wat schulden achterblijft, zo heeft Diderik Heereman van Zuydtwijck, en later zijn weduwe Anna Ramp, een hypothecaire vordering op de heerlijkheid IJsselmonde (“aanvankelijk eigendom van Adriaen Lampsius, maar later door zijn weduwe Maria Hoffman (Hooftman) verkocht aan Johan de Mey”). In hoeverre de verkoop van de heerlijkheid IJsselmonde en het kasteel gedwongen plaatsvond is niet met zekerheid vast te stellen maar wel zeer waarschijnlijk.

Op 21-12-1681 compareert (procuratie ad negotia) Adriaen Lampsins, heer van IJsselmonde, voor notaris Pieter de Weerdt, als zoon van Adriaen Lampsins en Josijna de Haze (beiden overleden) en (broer?) van Joan de Lampsius en Huybert Lampsius (beide overleden).
Op huijden den 21e December 1681 compareerde voor mij Pieter de Weerdt, openbaer notaris bij den Hove van Hollandt geadmitteert, tot Isselmonde residerende, present de getuijgen naergenoempt, de Wel Ed: heere Adriaen Lampsins, heere van Isselmonde, mij notario wel bekent, de welcke verklaerde geconstitueert ende machtich gemaeckt te hebben, gelijck hij doet bij deze sr. Abraham de Back, woonende tot Middelburgh in Zeelandt, specialijck omme uijt zijn Ed: naeme ende van sijnent wegen, soo voor hem selven ende als voogt van de minderjarige kinderen van wijlen de heer Joan Lampsins za: te compareren beneffens Mevrouwe Josina de Hase, weduwe wijlen de heer Adriaen Lampsins za: in sijn leven bewinthebber van de Oost Indische Compagnie ter camere van Middelburgh voorsz, sijn heer comparantes moeder, voor de heeren Bewinthebbers van de voorsz Oost Indische Compagnie, ende aldaer in de voorsz qualiteijt ten behoeve van Mevrouwe Sara Becx, weduwe wijlen de heer Johan Elstdijck, in zijn leven Raetsheer in den rade van Vlaenderen, te transporteren ende ceederen vijffhondert ponden vlaems capitaele actie, ter camere van Zeelant, jegenwoordich staende op naem van de heere en meester Huijbert Lampsins za: in sijn leven  raedsheer?   in de rade van Vlaenderen voorsz, de penningen daervan comende te ontfangen, quitantie van sijnen ontfangh te passeren?, het voorsz getransporteerde te vrijen ende te waeren als regt is, onder verbant van sijn heer constituants persoon ende goederen, geen uijtgesondert ende voorts in dese alles te doen  wes hij heer constituant present ende voor oogen sijnde, selffs soude connen ofte vermogen te doen alwaert dat de voorsz saecke eenige naerder ende speciaelder last requireerde dan voorsz staet ende wijders naer costuijme aldaer dienaengaende gebruijckelijck. Belovende voor goet, vast ende van waerden te houden ende doen houden alle tgene bij de voorsz geconstitueerde hier inne sal werden gedaen ende verricht onder de verbande ende bedwangh als naer regten, des blijft de voorn geconstitueerde gehouden t’allen tijde hiervan te doen behoorlijcke reeckeninge, bewijs ende reliqua. Aldus gedaen ende gepasseert tot Isselmonde voorsz ter presentie van mr. Heijndrick Lansbergen ende Jan Claesz van Bree als getuijgen hiertoe versocht.
Ondertekend door A. Lampsins, Heijndrick Lansbergen en de notaris. Jan Claesz van Bree tekent met een handmerk.

Op 26-12-1682 compareert (protest) Maria Hooftman, als weduwe van wijlen Adriaen Lampsins voor notaris Pieter de Weerdt te IJsselmonde.
Op huijden den 26e  December 1682 compareerde voor mij Pieter de Weerdt, openbaer notaris bij den Hove van Hollant geadmitteert, tot Isselmonde residerende, present de getuijgen naergenoemt, vrouwe Maria Hooftman, weduwe wijlen de Wel Ed: heere Adriaen Lampsins, heere van Isselmonde, ende verklaerde van intentie te sijn van haer voor alsnoch geensints te willen bemoeijen met den boedel tusschen de opgemelte heere Adriaen Lampsins za: ende haer vrouwe comparante (voor soo veel winst of verlies aengaet) int gemeen beseten, maer expresselijcken te protesteren bij desen (bij aldien sij vrouwe comparante eenige penningen soude mogen comen te ontfangen ofte ijtwes ten besten ende ten voordele van de voorsz boedel soude mogen verrichten ofte doen verrichten) van haar daerdoor geensints te willen immisceren? in den voorsz boedel, maar naer het expireren? van de ordinaris ses weecken te willen behouden haere vrije deliberatie om als dan te doen, soo te rade werden sal, versoeckende sij vrouwe comparante dat ick notaris voornt van dit protest soude maecken behoorlijcke acte ende de selve te secreteren ter tijt ende wijsen toe bij haer vrouwe comparante naerder sal werden geordonneert.
Aldus gedaen ende gepasseert tot Isselmonde voorsz ter presentie van de heer ende mr. Elias Helt, Raetsheer van sijne hoogheit den heere prince van Orangien ende de heer Andries Bernard als getuijgen hier toe versocht.
Ondertekend door Maria Hooftman, E. Helt, Andries Bernard en notaris Pieter de Weerdt

In 1685 komt er een gunstige beschikking op een request van Maria Hooftman, weduwe van Adriaen Lampsins, aan de Staten van Holland, betreffende de termijn waarbinnen de belening moet worden aangevraagd in verband met de voorgenomen openbare veiling van de heerlijkheid.

 

Noten:

  1. De ‘couleur-lsabelle’, een geel-grijze kleur, placht haar herkomst aan dit beleg te ontlenen.
  2. ln het heetst van de strijd had men bij gebrek aan graszoden en aarde nieuwe verdedigingsrvallen opgeworpen met Iijken van gevallen manschappen. Uiteindelijk werd het zelfs zo grimmig dat de commandant een placaat liet ophangen: ‘…een ieder welcke een doot ldck kan aanbrengen ontvangt hiervoor een bedrag van 14 stuijvers…‘. Hierop werden ook veeI kerkhoven leeggehaald.
  3. Zie: Vlietinck, Edw., Het Oude Oostende en zijne driejarige belegering; opkomst, bloei en ondergang met de beroerten der zestiende eeuw, Oostende 1897.
  4. Onder deze Oostendse geslachten bevonden zich de families De Haze, Muenicx, Velters, Kien én Lampsins.
  5. Dat de gevluchte families onderling nauw verwant waren blijki uit het volgende voorbeeld: Cornelis huwde met Maria Muenicx, haar ouders waren Jan Muenicx en Tanneke de Haze. Eén van de zonen van Cornelis en Maria was Jan Lampsins. hij huwde Janneken Velters.
  6. Zie Vlietinck.
  7. Zij was een kleindochter van Godelive Lampsins, zuster van de grootvader van Jan, Lieven Lampsins.Haar moeder Magdalena de Budt was dus een tante van Jan.
  8. ‘Gods wil geschiede’. Zinspreuk die te lezen was op de monumentale poort van Baskensburg en in het raam dat Cornelis Lampsins (1600-1664) in 1656 schonk aan de kerk van Schoondijke. Deze spreuk werd afgebeeld onder het wapen van Lampsins. Het raam sneuvelde bij een bombardement in 1944′ De poort werd in de oorlog afgebroken.
  9. Zie: Broeke, Martin van den, Jan Arends Buitenplaatsen op Walcheren, 2001.
  10. Dit eiland, behorend tot de Kleine Antillen, werd in 1498 ontdekt door Christoffel Columbus.
  11. Cornelis Lampsins bezat over dit eitand, althans over het Nederlandse deel, het patroonschap. Het werd bevolkt met mensen die door De Ruyter vanuit St. Eustatius werden overgebracht.
  12. ‘…met alle de eergevolgen aan dezen titel vast, voor hem zelven en zijne nakomelingen van beide geslachten, op denzelfden voet als de barons van het Fransche rijk’ (Zie: Zeeuws Archief, handschriftenverzameling inv.no. 500). Eén van deze privileges is dat men vier paarden voor de koets mocht spannen.
    Dat Cornelis dit ook gedaan heeft. blijkt op het schilderij wat hij liet vervaardigen van Lammerenburg. Hierop verschÍjnt Cornelis, op weg naar zijn buiten aan het raampje van zijn koets mét vier paarden. Evenals de portretten is dit schilderij te zien in de Pronkzaal van het muZEEum.
  13. Reeds een jaar eerder, in 1661, ontving ook CorneIis’ neef. Daniel van Gheel. de orde van Saint-Michèl. Naast dit familietid wordt ook Michiel de Ruyter. in 1666, vereerd met deze orde (Zie: Ploos van Amstel, Jhr. G., Unde Venis. Ploos van Amstel?, Nederlandse Leeuw 1990).
    Daniel van Gheel (1628- 1705) is de oudste zoon van Jean van Gheel en Elisabeth Lampsins. Laatstgenoemde is een volle nicht van Cornelis Lampsins. Daniel van Gheel werd in 1663 eveneens door Lodewijk XIV verheven in de Franse adelstand.
  14. De eerdergenoemde ambassadeur De Huybert schrijft (o.a.) in een brief aan zijn broeder dat men ‘…beloond kon worden met de ‘ridderorde van St. Michèl voor een kleine penning’ (Zie: Rue, P, de la, Mengeling van aantekeningen, manuscript berustend in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam).
  15. De beide ordetekens zijn bewaard gebleven en door een legaat van zijn nazaat jhr. Jan Karel Lampsins van den Velden terechtgekomen in de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam. Cornelis Lampsins, wordt met dit draagkruis afgebeeld op zijn eerdergenoemd portret. Vermoedelijk is het draagkruis er later bijgeschilderd, daar Cornelis geschilderd wordt als hij ongeveer vijftig jaar oud is. De ordeversierselen ontving hij pas toen hij tweeënzestig jaar oud was.
  16. Op jonge leeftijd – vermoedelijk wanneer zijn ouders zich ook Iaten portretteren – wordt hij vereeuwigd. Een jonge man die zich bewust is van zijn toekomst.
  17. Aletta’s vader, Balthasar Coymans (i618-1690), werd eveneens verleend met de Orde van Saint-MichèI (Zie; Ploos van Amstel).
  18. Tobago wordt in 1676 overgenomen door de stad Amsterdam. Omdat de Fransen het eiland hadden veroverd mocht de Íamilie Lampsins van geluk spreken dat Amsterdam er nog 36.000 gulden voor wil betalen. De stad kocht hier namelijk slechts een pretentie mee (Zie: Goor, J. van. De Nederlandse Koloniën. 1997).
  19. Zie: Cemeentearchief Vlissingen (CAV). verzameling Van der Os, inv. no.2095.
  20. Het Lampsinshuis bleef nog geen honderd jaar in bezit van de Lampsins. ln 1727 wordt Nicolaas van Hoorn, heer van Burgh vermeld als eigenaar (Zíe: (CAV) De Bruin II inv. no. 111, kohier van de huisschatting 1727 -1808).
    Het Lampsinshuis kwam oP deze wijze terecht in de familie Van Hoorn van Burgh. die het tot aan het einde van de negentiende eeuw bewoonde.
    Margaretha verkocht het vermoedelijk aan haar schoonzuster, de weduwe van Geleijn Lampsins.
  21. Opmerkelijk ís overigens dat Jan Pieter Cornelis zich in 1845 bij Kabinetsdispositie laat schrappen van de adellijsten, Hij was niet langer baron Lampsins, maar ‘slechts’ meneer; naar de redenen van dit verzoek kunnen we (tot op heden) slechts gissen.
  22. Johanna Margaretha Lampsins (geboren in 1776) sterft een jaar na zijn geboorte, in 1812 te Utrecht.

 

Bronnen:

  1. De Mast gebroken, de zeilen gestreken, korte geschiedenis van het geslacht Lampsins van de 16e tot in de 20e eeuw, door Jeroen-Martijn Hangoor in Den Spiegel (uitgave van de Vereniging Vrienden van het muZEEum en het Gemeentearchief Vlissingen) 20 (2002) 4 (oktober), p. 16-25.
  2. De vier kastelen van IJsselmonde, door H.L. Baars in het Rotterdamsch jaarboekje 1954, blz. 96.
  3. Het Westfries Biografisch Woordenboek op westfriesgenootschap.nl.
  4. De Vlissingse Canon: Lampsins tijdlijn op canonvanvlissingen.nl.
  5. De collectie van het MuZEEum te Vlissingen.
  6. Het Utrechts archief.
  7. Het Stadsarchief Rotterdam
  8. De DVD Oud Notarieel archief IJsselmonde 1661-1811, uitgave van de Stichting Streekarchief Eiland IJsselmonde.
  9. Het geslacht Lampsins, door J. van Os, in De Nederlandsche Leeuw, 6e jaargang (1888), nummer 5, blz. 39-41.

Ontworpen door Henk Kuiper Webs