Het Geslacht Van Voorschoten, later Van Cralingen, ambachtsheren van Oost-IJsselmonde

Het Geslacht Van Voorschoten, later Van Cralingen, ambachtsheren van Oost-IJsselmonde

Van Voorschoten/Van Cralingen

Inleiding

In de tweede helft van de dertiende en de eerste helft van de veertiende eeuw speelden de mannelijke leden van het geslacht Van Voorschoten/Van Cralingen een niet onaanzienlijke rol in het bestuur van het nog lokaal georiënteerde graafschap Holland. Het geslacht kon zich evenwel zowel qua afstamming als bezit niet met de hogere adel meten. De kiem voor de latere neergang werd al omstreeks 1400 gelegd, doordat de toenmalige stamhouder Ogier V geen wettige zoons naliet, waardoor de voorouderlijke bezittingen voor het geslacht verloren gingen.
Dankzij de jongere broer van Ogier V, Willem I, beleefde het geslacht in deze periode ook weer haar bloeiperiode. Door Willem’s huwelijk met Kerstine van Zuidwijk kwam het gelijknamige ambacht Zuidwijk in zijn bezit en ook bekleedde hij een aantal belangrijke bestuursfuncties. Als ridder nam Willem met wel vier zoons deel aan de Arkelse oorlogen. Zijn zoons Gillis III en Daniël I zouden hun vader in bestuurlijk opzicht nog overtreffen.

Gillis III stond in hoog aanzien bij graaf Albrecht en Jacoba van Beieren, maar liep over naar Jan van Beieren en later naar Philips van Bourgondië. Ook zijn broer Daniël I grossierde in ambtelijke functies en wist bovendien twee profijtelijke huwelijken te sluiten.

Hun zoons konden echter niet meer in de schaduw van hun vaders staan. Floris II, een zoon van Gillis III, was getrouwd met Elisabeth van Cats en wist dankzij dit huwelijk een rol van betekenis te spelen in de regio Gouda.

Zijn zoon Jacob I raakte in bonus toen hij in 1505 een belangrijke erfgenaam bleek te zijn van zijn moederlijke overgrootmoeder Elisabeth van Heenvliet. Jacob’s kleinzoon Floris III berustte er in 1528 echter in dat de gloriedagen van het geslacht definitief voorbij waren en schrijft dat zijn familie ‘kleyn is ende nogh kleyner ende verganckelick gescapen is te worden’.

Over het geslacht Van Voorschoten/Van Cralingen zijn hoofdzakelijk deelstudies verschenen. In 1941 verscheen in De Nederlandsche Leeuw een artikel van de historicus J. Belonje over de grafsteen van Jan en Willem van Cralingen in de kerk van IJsselstein. In de aanhef van dit artikel stelde de auteur al dat ‘het tot dusver over dit geslacht gepubliceerde maakt nu niet in alle opzichten een betrouwbaren indruk’. Belonje zal gedoeld hebben op de studies die in het laatste deel van de negentiende eeuw waren verschenen van de hand van de Rotterdamse predikant Jacobus Craandijk en de vermeldingen in Simon van Leeuwen’s Batavia Illustrat. Inmiddels had W.A. Beelaerts van Blokland in 1934 echter een voordracht gehouden over de verwerving van het ambacht Kralingen door het geslacht Van Voorschoten. Hierin besprak hij deze verwerving op zijn gebruikelijke scherpzinnige wijze. Deze voordracht was Belonje kennelijk ontgaan. Ook hetgeen Renaud in 1942 in zijn verslag over de opgraving van het kasteel Starrenburg over het geslacht had gemeld en de lemma’s van de Alphense amateurhistoricus M.C. Regt in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek verdienen de kwalificatie onbetrouwbaar geenszins.

Enkele tientallen jaren later zou het geslacht in de diverse publicaties van de Rotterdamse archeoloog en geschiedkundige C. Hoek nog fragmentarisch aan de orde komen. In 1990 ging W. Kraal in op de verwantschap van het Rotterdamse geslacht Van der Loet met het geslacht Van Cralingen.

In De Nederlandsche Leeuw van 2013 verscheen tenslotte een uitgebreid artikel over dit geslacht van P.S.C. van der Plas, zijn hypotheses over de genealogie worden hier grotendeels gevolgd.

Mogelijke verwante geslachten

Bij het beoefenen van middeleeuwse genealogie is het bijna altijd noodzakelijk om (mogelijke) familieverwantschappen in een wijde kring rond de onderzochte familie te bekijken. Dat is voor Van Voorschoten/Van Cralingen niet anders. Hier speelt ook mee dat verschillende Hollandse families tezelfdertijd een wapen voerden met daarin een achtpuntige ster.
Een verwantschap met het twaalfde- en dertiende-eeuwse geslacht Van Rijswijk kan worden vermoed, vanwege het voorkomen van de voornamen Ogier en Gillis in dit geslacht; een wapen van dit geslacht is echter niet bekend. Gillis van Rijswijk (postuum vermeld in 1249 en 1255) en Ogier I van Voorschoten (vermeld 1206-1217) zouden chronologisch gezien zoons van Ogier van Rijswijk (vermeld 1162) kunnen zijn geweest.

Verwantschap met een geslacht Uten Hoeke/Van Wateringen staat vast, omdat Ogier II in 1308 Ogier (III) uten Hoeke als ‘maegh’ aanduidde. Ogier II zegelde deze oorkonde met een achtpuntige ster en Ogier (III) Uten Hoeke zegelde met drie achtpuntige sterren. Ogier (I) uten Hoeke, veelvuldig vermeld in 1245-1252 zou chronologisch gezien een zoon van Ogier I van Voorschoten kunnen zijn. Zijn toenaam ontleende hij mogelijk aan het bezit van een oude hof in Wateringen, waaraan ook de naam’Hoek’ verbonden was. Ogier (I) uten Hoeke werd door graaf Willem omstreeks 1250 beleend met de ambachtsheerlijkheid Wateringen. In 1260 was Ogier (I) uten Hoeke overleden. Zijn zoon ‘Gherardus, miles de Wateringhe filius domini Ogeri de Hogh’ verklaarde dat zijn moeder, ‘domina Gertrudis mater’, met zijn instemming aan de abdij Rijnsburg een stuk land had geschonken voor de zielenrust van zijn vader, van haarzelf en van zijn dan ook al overleden broer Ogier (II). In 1267 werd een akte afgegeven ter bevestiging dat ‘Gertrudis, relicta domini Ogeri de Wateringhe’ 100 pond Hollands aan de abdij van Loosduinen had geschonken voor haar eigen zielenheil, die van haar man en van haar al gestorven zoon Ogier (II). Het feit dat de toenaam van zowel zoon Gerard als (postuum) vader Ogier (I) werd gewijzigd in Van Wateringen, zal te maken hebben met het grotere belang dat gehecht werd aan de nieuwe bezittingen aldaar.

Gerard van Wateringen zegelde in 1287 met een achtpuntige ster beladen met een barensteel. In het wapenboek Gelre is het wapen van Willem van Wateringen afgebeeld als een witte ster op een zwart veld en ook in het wapenboek Bellenville is het wapen van een verder ongenoemde Van Wateringen afgebeeld als een witte achtpuntige ster op een zwart veld.

Ook diverse personen met de naam ‘Van Alphen’ voerden de achtpuntige ster maar de namen Ogier en Gillis komen bij hen niet voor. In 1319 trad een Dirk van Alphen op namens Jan van Wateringen en in 1344 lijftochtte een Dirk van Alphen zijn vrouw Machteld met de mindere helft van de halve tiende van Alpherhoorn en een tiende in Wateringen. In 1342 was een Floris van Alphen schout van Wateringen en zegelde hij met een achtpuntige ster in een vrijkwartier, beladen met een schuinstaak. Het vrijkwartier was in de veertiende eeuw gebruikelijk middel om bastaardij aan te duiden, waarbij het wapen in het vrijkwartier zowel dat van de vader, moeder als dat van de echtgenote kon zijn. De schuinstaak kwam later ook in gebruik om bastaardij aan te duiden, maar dat zou hier dan dubbelop zijn. Misschien is de schuinstaak hier een teken van een jonger geslacht of verwijst het naar het wapen van de moeder. Het relatief lage ambt van schout lijkt de bastaardij te bevestigen. In 1358 is sprake van een Dirk van Alphen, zoon van Klaas van Oudenburg en Aleid Klaasdochter van Schie. Dit is een intrigerende vermelding, omdat een Jan van Schie mogelijk getrouwd was met een dochter van Ogier III van Cralingen. In 1363 was een knape Floris van Alphen hoogheemraad van Rijnland, zijn zegel aan het charter is zwaar beschadigd. In hetzelfde charter zegelde ook een andere hoogheemraad van Rijnland, Boudewijn Jan Barthoudszoon, met een achtpuntige ster voorzien van een schuinstaak. In het wapenboek Bellenville komt zijn mogelijke zoon Dirk Boudijnszone voor, van wie het wapen getekend is als een rode achtpuntige ster op een wit (waarschijnlijk zilver aangevend) veld. Jan Dirkszoon van Alphen komt voor in de wapenboeken Beyeren en Bellenville vanwege zijn deelname aan het beleg van Gorcum in 1402 met een wapen dat vermoedelijk afgeleid is van dat van zijn vrouw, Elisabeth van Teijlingen, een klimmende leeuw. Hun vermoedelijke zoon Claas van Alphen zegelde in 1474 met een wapen afgeleid van beide ouders, een klimmende leeuw en een achtpuntige ster.

In het wapenboek Gelre is het wapen van een ‘Dirc de Cralingen, s[eigneur] de Alphen’ afgebeeld als een zwarte achtpuntige ster op een wit veld. Dit moet een vergissing zijn: er zijn geen aanwijzingen dat de ambachtsheeriijkheid Alphen ooit door de grafelijkheid in leen is uitgegeven. Mogelijk heeft de samensteller van de wapenboeken Dirk II van Cralingen en Dirk van Alphen door elkaar gehaald. Van Buchel vermeldt nog een Claes van Alphen die in 1494 in Ravenna gestorven zou zijnl, met als wapen een zwarte achtpuntige ster.

Ook een geslacht Van Moordrecht/De Voogd van Rijneveld voerde de achtpuntige ster maar ook in dit geslacht komen de namen Ogier en Gilles niet voor. Dirk Traveys van Moordrecht had zich in 1285 borg gesteld bij de verzoeningen tussen graaf Floris V enerzijds en de gebroeders Van Amstel en Herman van Woerden anderzijds. Het zegel dat Dirk Traveys van Moordrecht hechtte aan de borgstelling voor de gebroeders van Amstel toont een achtpuntige ster. In het wapenboek Gelre is het wapen van een Hendrik van Moordrecht afgebeeld als een witte achtpuntige ster op een rood veld en ook in het wapenboek Bellenville is het wapen van een verder ongenoemde Van Moordrecht afgebeeld als een witte achtpuntige ster op een rood veld.

Een Vrieze van der Mije, baljuw van Zuid-Holland, zegelde in 1303 met een plompeblad en twee achtpuntige sterren; zijn zoon Dirk Traveys van der Mije zegelde volgens Van Buchel in 1342 met een achtpuntige ster zonder meer. Vanwege de voornaam Traveys vermoedde Beelaerts van Blokland dat er verwantschap bestond tussen het geslacht Van Moordrecht en Van der Mije. Ook het geslacht De Voogd van Rijneveld, dat vermoedelijk via Traveys en Engelbrecht van Rijneveld verwant was aan Traveys van der Mije, voerde een achtpuntige witte ster op een rood veld.

De dertiende-eeuwse Van Cralingens tenslotte moeten strikt worden onderscheiden van het hier te behandelen ‘nieuwe’ geslacht Van Cralingen. Bij het dertiende-eeuwse geslacht Van Cralingen komen de namen Ogier en Gillis niet voor en hun wapen is niet bekend. Ook zijn er geen concrete aanwijzingen dat dit ‘oude’ geslacht in Kralingen ambachtsheerlijke rechten heeft gehad. In het Vaderlandsch Woordenboek wordt melding gemaakt van een Dirk van Cralingen, getrouwd met Agnes van Naaldwijk heer Huigen dochter. Hij zou in 1189 hebben deelgenomen aan de Derde Kruistocht en vervolgens in 1192 weer behouden zijn teruggekeerd. Deze Dirk zou twee zoons hebben gehad, Hugo van Cralingen en Dirk van Alphen. Er is hiervoor geen bevestiging gevonden, zodat deze vermeldingen met scepsis beoordeeld moeten worden.

Hetzelfde geldt voor de gegevens van de kroniekschrijver Lois, die vermeldt dat Hugo van Cralingen, stadhouder van Holland in 1223, een broer Gillis had die samen met zijn zoon Ogier in 1227 in de slag bij Ane (bij Coevorden) was gestorven. Ook deze vermelding kon niet worden geverifiëerd; van de slag bij Ane is slechts een incomplete lijst met gesneuvelden overgeleverd waarop deze Gillis en Ogier niet voorkomen.

Evenzo zou volgens Lois Hugo van Cralingen in 1233 het slot Honingen hebben opgericht en in 1234 het toernooi in Corbie hebben bijgewoond waarbij graaf Floris IV omkwam. Lois meldt verder dat de heren van Cralingen aldaar ambachtsheer waren en een veer onderhielden naar het aan de overkant van de Maas liggende IJsselmonde. Hugo zou twee zoons genaamd Hugo en Dirk hebben gehad, die de Hogenbanse Starrenburg zouden hebben gesticht. Hugo zou een zoon Willem hebben gehad, alsmede een dochter Margareta die was getrouwd met heer Hendrik van der Lek.

Vastere grond onder de voeten krijgen we door oorkondes. In de periode 1244-1255 werd een Hugo van Cralingen vermeld die in 1252 het ambt van baljuw van geheel Holland bekleedde. Misschien is hij de Hugo die in een necrologium van de abdij van Egmond werd vermeld als overleden op 7 juni 1256. In 1257 bekleedde een Frank van Cralingen het ambt van baljuw van Zuid-Holland. Op 13 november 1270 kreeg Machteld, dochter van Wigger van Cralingen een groot deel van de tienden in Cralingen in leen van de Utrechtse St. Paulusabdij. Haar vader hield deze tienden al in leen met de bepaling dat zij dit bezit weer moest afstaan, mocht haar moeder alsnog een zoon krijgen. Deze tienden gingen vervolgens in 1281 over op Berthold Dircksz, echtgenoot van Elisabeth, een dochter van Traveys van Keten (waarschijnlijk dezelfde als Traveys van Moordrecht). Van Mieris noemde nog een Hugo van Cralingen die in september 1292 aanwezig zou zijn geweest bij de blijde inkomst van bisschop Hugo van Avesnes. De Kroniek van Rotterdam vermeldt dat Hugo van Cralingen tot de groep van edelen behoorde die na de moord op graaf Floris V in 1297 naar Engeland reisden om diens zoon Jan I op te halen. Op de overgeleverde lijst met deelnemers aan deze reis komt zijn naam echter niet voor. In ieder geval vererfden de Sint-Paulustienden niet op hem, en dat zou erop kunnen duiden dat hij niet tot de hoofdtak van het geslacht behoorde. Vervolgens is er dan een hiaat in het leenregister dat onderzoek bemoeilijkt: de eerstvolgende inschrijving is pas in 1364 wanneer de tienden in het bezit blijken te zijn van Willem I van Cralingen.

Het ambacht Kralingen

Het ambacht Kralingen lag aan een bocht in de Nieuwe Maas, waarin grond aanslibde. In 1164 werd naar aanleiding van een overstroming een waterkering aangelegd, de huidige Oudedijk/’s-Gravenweg. Aan weerszijden van de dijk werd land ontgonnen. Een buitendijkse voordijk werd aangelegd, die later Schielandse Hoge Dijk ging heten, de huidige Oostzeedijk/Honingerdijk. Later werd deze verhoogd tot een permanente dijk. Kralingen was dus een polder. In de middeleeuwen heersten de ambachtsheren van Kralingen over het gebied. Zij resideerden op slot Honingen, dat lag tussen de Slotlaan, Essenweg en Hoflaan. Het werd enkele malen verwoest het laatst in 1572, tijdens de tachtigjarige oorlog. In 1668 kocht Rotterdam het terrein aan en bouwde er een herenhuis.

Het gebied dat tegenwoordig bekend staat als Kralingen is een deel van het oude Ambacht Kralingen tussen de A16, de Boezemsingel, de Maas en het Kralingsebos. Kralingen valt in hoofdlijnen uiteen in twee delen: Kralingen-Oost wat ruim opgezet is met veel groen, van oudsher een woongebied voor welgestelden en Kralingen-West wat meer het karakter heeft van een volkswijk. Hoge dichtheid met veel boven- en benedenwoningen. Het zuidwestelijke deel van Kralingen-West is ernstig beschadigd tijdens het bombardement van mei 1940. De Gerdesiaweg is pas na de oorlog ontstaan.

Het oorspronkelijke dorp Kralingen is zo goed als compleet verdwenen. Ten noorden van het Kralingsebos in Prinsenland bevindt zich nog de begraafplaats Oud Kralingen die ooit bij de dorpskerk lag. Het toenmalige dorp is ten prooi gevallen aan de turfwinning. Het gebied dat we nu kennen als Kralingen is de tweede nederzetting in het Ambacht Kralingen. Deze is ontstaan rond het oude slot Honingen.

De kruising van de oprijlaan van het slot Honingen met de oude dijk die bekend staat als de viersprong. Dit is de huidige kruising Hoflaan, Korte Kade, ‘s Gravenweg Oude Dijk. Al in de 18e eeuw wordt dit een belangrijke tweede kern.

Het slot Honingen wordt in 1244 in elk geval bewoond door de heren Hugo van Cralinghen. In de 80 jarige oorlog sneuvelt het gebouw. In 1668 koopt de stad Rotterdam de ambachtsheerlijkheid Kralingen met daaraan verbonden ruïne van het slot om dit in 1677 met de grond gelijk te maken.

De grond van het oude slot Honingen wordt door de gemeente verhuurd. Hier werden (zomer)huizen gebouwd met siertuinen en wandelpaden. In 1868 liepen de huurcontracten af en besloot de gemeente het gebied te herontwikkelen en er een villapark en openbare wandelplaats te realiseren.

Bij de verkoop wordt vastgesteld dat op de grond ‘nimmer eenig andere bestemming zal mogen krijgen dan die van grote en kleine buitenverblijven, of huizen voor den fatsoenlijke stand met tuinen’.

Vanaf eind 17e eeuw hebben veel Rotterdammers bezit in het ambacht Kralingen. In eerste instantie zijn dit boerderijen met speciale vertrekken voor de verhuurder. Later bouwen vele welgestelde Rotterdammers riante buitenplaatsen in Kralingen om de de stad, die geteisterd wordt door stank en ziektes, te ontvluchten. Bekende voorbeelden waren Rozenburg, Merula, Vredenhof, Lusthoff, Trompenburg, Jericho en Woudestein. Deze buitenplaatsen waren niet alleen zomerverblijven voor welgestelden, maar waren ook belangrijk voor de voedselvoorziening en zorgden zo dus ook voor een behoorlijke werkgelegenheid.

In het begin van de 18e eeuw trekken veel bewoners uit het dorp naar de viersprong omdat er in het oorspronkelijke dorp door de veen afgraving geen middelen van bestaan meer zijn. Ook de voorzieningen trekken weg. De katholieke kerk, de school, het ambachtshuis en ten slotte wordt in 1842 de nieuwe kerk aan de Hoflaan opgeleverd ter vervanging van de oude dorpskerk. Eind 18e eeuw komt er ook steeds meer industrie naar Kralingen: branderijen, lakmoesmakers, snuifmolens, houtzaagmolens, loodwit-makerijen, glasblazers, touwslagerijen en een grote katoendrukkerij.

Het ambacht Oost IJsselmonde

Het ambacht IJsselmonde is in het midden van de twaalfde eeuw in het bezit van Hugo van Ysselmond, die het nalaat aan één van zijn beide dochters, Mabelie, gehuwd met Wouter van Egmunde. Dit bezit wordt verdeeld tussen twee jonkvrouwen van Egmond, respectievelijk gehuwd met een voorvader van het geslacht van Voorscoten-van Cralingen en één van het geslacht Bokel. Deze twee ambachten worden echter van de heren van Egmond in leen gehouden. Als oudste heren van de gesplitste ambachten zien wij omstreeks 1283 heer Gillis van Voorschoten in Oost-IJsselmonde en heer Gijsbert Bokel in West- IJsselmonde. Dit laatste ambacht is blijkbaar het belangrijkste, want uit een oorkonde van 9 juli 1297 blijkt dat graaf Jan I in een geschil tussen de bedeschuldigen van de ambachten beslist dat het Westambacht twee derde in de jaarbede zal bijdragen en het Oostambacht een derde. In de veertiende eeuw worden de ambachten naar hun ambachtsheren genoemd: Ogiersambacht voor Oost-IJsselmonde (Ogier van Cralingen is de Voorschotens opgevolgd) en Bokelsambacht voor West-IJsselmonde.

Het eiland IJsselmonde wordt in deze tijd de Riederwaard genoemd. In de jaren 1373/75 wordt het eiland geteisterd door overstromingen, waardoor de Riederwaard onder water kwam te staan. Hertog Albrecht beveelt de ambachtsheren op 8 februari 1375 het land opnieuw te bedijken en stelt ter bevordering van dat werk enige bepalingen als dijkrecht vast. In 1378 worden de ambachtsheren naar ‘s-Gravenhage geroepen om met de hertog middelen te beramen voor de bedijking.

Volgens een aantekening uit hetzelfde jaar blijken enige ambachtsheren, waaronder Ogier van Cralingen, bereid te zijn hun ambacht te bedijken. Ondanks alle goede voornemens blijft de zaak slepen en in 1383 volgt wederom een aantekening dat de graaf te Dordrecht zijn raad zal bijeenroepen om over de Riederwaard te spreken. Echter tevergeefs, men blijft praten en plannen maken en er komen slechts plaatselijke bedijkingen tot stand in Rhoon en Katendrecht, die weer ten onder gaan bij de St. Elizabethsvloed van 1421. Van een totale herdijking van de Riederwaard kwam niets meer, slechts gedeeltelijke herdijkingen hadden succes. In deze tijd is Jan van der Lecke ambachtsheer van Oost-IJsselmonde, dat hij had verkregen van zijn vader Dirck van der Lecke, die gehuwd was met een dochter van Ogier van Cralingen. West-IJsselmonde is nog steeds in het bezit van de Bokels.

Zoals hiervoor reeds is gezegd, besloot men na de totale ondergang van de Riederwaard over te gaan tot gedeeltelijke herdijkingen. In 1435 ontstaat er een geschil tussen Hugo van Lannoy, heer van Santes, en Jan van der Lecke over de nalatenschap van wijlen Dirk van Egmond, benevens over het Oostambacht van IJsselmonde en 110 morgen eigen land. Hugo van Lannoy koopt het ambacht van Jan van der Lecke en krijgt van hertog Philips van Bourgondië op 5 december 1435 machtiging tot bedijking alsmede een aantal rechten. Maar op 28 april 1437 wordt Godschalck Oem, heer van Wijngaerden, met het Oostambacht beleend door overdracht van Jan van der Lecke als opvolger van zijn moeder de vrouwe van Honingen.

De Starrenborgh

Dat het geslacht Van Voorschoten in het bezit was van een Starrenburg in het ambacht Hogenban bij Overschie is algemeen bekend maar dat er een voorganger in Voorschoten heeft gestaan is buiten Voorschoten vrijwel onbekend.

Opgravingen van de Starrenburg hebben aangetoond dat de Starrenburg lang voor 1316 gesticht moet zijn. Onderzoek heeft aangetoond, dat de van Cralingen’s uit de veertiende eeuw voortgekomen zijn uit de van Voorschoten’s uit de dertiende eeuw. Beide geslachten voerden een achtpuntige ster in hun wapen; Van Buchel gaf Gillis I van Voorschoten als wapen een zilveren achtpuntige ster op een veld van keel, maar het is niet duidelijk waarop hij zich hiervoor baseerde. Of de naam Starrenburg, aan het huis gegeven, daarmee voldoende is verklaard is nog de vraag. Heeft men het Huis de naam Starrenburg gegeven vanwege het gevoerde wapen, of is men het wapen gaan voeren omdat het huis Starrenburg heette?

De van Voorschoten’s hadden bezittingen bij Voorschoten, waar een Starrenburger polder nog aan hen herinnert. Wanneer zij in Schieland komen is moeilijk te bepalen, maar het vermoeden is dat dit zo rond 1252 is geweest, omdat Gillis (I) in dat jaar het ambt van ‘sub-baljuw’ van Zuid Holland bekleedde, is het waarschijnlijk dat hij toen al niet meer in Voorschoten woonde, maar in zijn ambtsgebied.

De Voorschotense Starrenburg

Ogier II van Voorschoten hield omstreeks 1283 als grafelijk leen ‘dat goet van Vorscoten, dat es dat huus ende dat erve dat daert op staet‘. Op z4 januari 1299 schonk hij aan het Delftse klooster Koningsveld ‘onse vrie eighen lant ende huus, dat wi hebben te Voerscoten leghen bi der Burgh drie marghen ende en half’. Dit is een interessante vermelding, want hieruit blijkt dat er sprake was van een huis ‘en een burcht. In 1308 schonk Ogier II nogmaals aan het klooster: ‘drie pont ghelts jaers die lechghen te Vorscoten bider borch up vijrde half marghen lants of daer bi’. De burcht werd hierna nog eenmaal genoemd, namelijk in de Wassenaerse leenkamer, als belending: ‘3 morgen land te Voirscoten, belend ten westen de proost van Conincxvelt, ten oosten de erfgenamen van Eggebrecht van Voirscoten, strekkende uit de Vliet noordwaarts tot de singel die om de burgwal te Starrenburg loopt’; [onleesbare datum:] Alijt van Lewen; 3 mei 1367 Willem van Lewen; 31 december 1372 Willem van Leuwen Willemsz. Er wordt melding gemaakt van een singel en een burgwal, alsmede van een aparte woning.
Als wij ervan uitgaan dat de burcht voor 1250 werd opgericht zou erop kunnen wijzen dat hier sprake was van een eenvoudige onbewoonde motteburcht: een omgrachtte opgeworpen heuvel voorzien van een palissade. De vermoedelijke locatie van de woning van Ogier lI en de burcht kan nog verrassend eenvoudig worden teruggevonden. Op 25 januari 1624 werd voor de baljuw en schout van Voorschoten verkocht een ‘huisinge, schuyr, barch, potinge ende plantinge naempt Starrenburch’, waarbij de verkopers aller ‘Van Starrrenburg’ werden genoemd. In het oudste morgenboek van Voorschoten uit 1543 is deze boerderij terug te vinden. Zij blijkt dan nog omgeven te zijn door bezittingen van het klooster Koningsveld. Een perceel van drie morgen ligt in de directe nabijheid en is in bezit van Ermgard van Leeuwen, zodat dit wel het in de Wassenaarse leenkamer genoemde perceel zal zijn. Het is daarom aannemelijk dat deze zeventiende-eeuwse boerderij gebouwd is op of nabij de locatie van het huis en erf van Ogier II. De boerderij was – zoals veel boerderijen in Voorschoten – gelegen op de rand van de strandwal. De burcht Starrenburg zal naast de strandwal hebben gelegen om de aanleg van een gracht om de motte mogelijk te maken. Naar de exacte locatie van de burcht is nog nader onderzoek gaande.

De Hogenbanse Starrenburg

De Hogenbanse Starrenburg bevond zich in de inpoldering Galghoek. Renaud vond in 1942 de fundamenten van een uit twee vierkanten bestaand rechthoekig huis van ongeveer 11 bij 20 meter. De fundering rustte op dicht naast elkaar geplaatste palen, waarbij de tussenruimten waren opgevuld met steenpuin. De voor- en achtermuren waren circa 1,6 meter dik, terwijl de zijmuren 1 meter dik waren. Slechts bij één van de muren werd een mogelijk overblijfsel van een oude gracht gevonden.

De Starrenburg werd in 1314 nog bewoond door Ogier III van Cralingen. Waarschijnlijk kort daarna verhuisde hij naar het kasteel Honingen dat gelegen was in het nieuwe bezit Kralingen.
Men zou kunnen veronderstellen dat de Starrenburg in 1351 verwoest is, als resultaat van het verbond dat Ogier V met de Hoekse edelen had ondertekend, resulterend in zijn verbanning door Willem de Verbeider. Willem van der Sluys meldt in zijn kroniek echter alleen dat de huizen Polderburgh, Spieringshoek, Hodenpijl en Spangen in 1351 zijn verwoest, zodat de veronderstelling dat de Starrenburg ook in dat jaar verwoest werd niet nader te onderbouwen valt. Ook de belening van Daniël van Cralingen op 2 juli 1355 met elf morgen land ‘tusschen den dijck, daar ’t huus te Starrenborch op staet, ende den hogen Hem‘ wijst niet op een afbraak of verwoesting. In september 1389 gaf Hertog Albert verlof tot het graven van de Delftse Schie en bepaalde hij dat deze gegraven moet worden ‘oestwaert van eenre Hoffstadt, diemen hiet Sterrenburch, ende tusschen Ouderschie ende Sterrenburch zoe sullen onse goede luden van Delff graeven door den dijck van der Schyevaert’. Ogier V verkocht in 1391 hiervoor grond aan Delft. Ook in 1399 werd gesproken van de ‘hofstad Sterrenborch‘, als Elburg van Cralingen deze in vrij eigendom erft bij de dood van haar vader. Haar man Arent IV van Duivenvoorde kreeg in 1408 toestemming van de graaf op het terrein van de hofstede vier gezinnen te laten wonen die vrijdom van schot en bede zouden genieten. Op 28 juni 1405 verkreeg Adriaan van Matenesse het slot te Riviere te Schiedam waartoe dan behoorde de ‘rijstuyn bi Sterrenborch‘.

Op 17 april 1414 droeg Arent van Duivenvoorde de hofstad Starrenburg weer op aan de graaf, mogelijk om de vererving op zijn oudste zoon te verzekeren: ‘een hoffstede, gelegen in den ambocht van der Ouderschie, geheten Sterrenburch, mit boemgaerden, mit dyckken end mit alsulken lande as hi nu ter tijt dair liggende heeft’. Lois meldt dat Starrenburg in 1426 ‘geruwineert ende verbrant‘ is, als heer Arent van Duvenvoorde de heere van Starrenburgh was, getrouwt met jouffrouwe Margarita van IJsselstein. Deze vermelding kan niet juist zijn omdat het gezien het jaartal 1426 Arent IV van Duivenvoorde betreft en die was getrouwd was met Elburg van Cralingen; het is zijn kleinzoon Arent V van Duivenvoorde die getrouwd was met Margriet van lJssclstein. Lois meld verder dat het huis anno 1446 is herbouwd door Jan van Duivenvoorde, getrouwd met Elisabeth Grebbers. Inderdaad heeft deze ‘Jan de jonge’ de hofstede Starrenburg in gebruik gekregen, zodat hij ook wel Jan Sterrenburch werd genoemd. De waarde van de Starrenburg met twintig morgen land werd in 1475 gesteld op 20 pond.

In 1488-1489 vond rondom Rotterdam de Jonker Fransenoorlog plaats, waarover Lois met betrekking tot de Starrenburg schrijft: ‘dit huys heeft eenighe schade noch geleden als Francois van Bredenrodc uyt Rotterdam de partye van de cabelliauwsche hier en anders vervolghde’. Willem van der Sluys vermeldt in zijn kroniek over de Jonker Fransenoorlog: ‘Die van Schiedam dit vernemende sijn met macht tegen getogen tot bij den dijck van Sterrenburgh, daer lagen 70 van de Rotterdamse knechten verborgen in de boomgaerden ende besette die van Schiedam dat sy 12 gevangen kregen ende 6 doot, ende togen soo met goeden buyt weder na Rotterdam‘. In ieder geval heeft Van der Sluys Starrenburg niet opgenomen in zijn lijstje van huizen die in deze periode zijn verwoest.

Honderd jaar later begon de Tachtigjarige Oorlog, waarover Lois meldt:

in der jaere 1574 in dc Spaensche troebelen is dit huvs geheel verbrant, als heer Arent van Duvenvoorde hetselve toebehoorden, getrout met juffrouwe Theodora van Scherpenzeel. Daernaer is hier een vierkant huys opgetimmert van vier stagien hoogh, ende ieder svde de breete van buyten dry en twintigh Rijnlantsche voeten elcke syde; het verder gebouw is voorts een boerewoningh ende bouwhuys, het comt nu toe heer van Ruyven, heere van Starrenburgh’.

Lois heeft het gebouw in 1671 nog getekend. De ruïnes van de Starrenburg zijn in het begin van de twintigste eeuw gesloopt. Tot 1942 stond de voormalige oprijlaan bekend als het Laantje van Starrenburg en was het afgesloten met een gietijzeren hek. In 1942 heeft Renaud de noodopgraving daar uitgevoerd, omdat het terrein zou worden opgespoten met zand, in verband met de aanleg van het industrieterrein Spaanse Polder.

Slot Honingen

In 1297 werd het huis Honingen bewoond door Hugo van Cralingen, ambachtsheer van Cralingen in 1244. Waarschijnlijk heeft ridder Hugo van Cralingen, stadhouder van Zuid Holland, het statige maar zwakke slot in de dertiende eeuw laten bouwen.

De naam Honingen komt voor het eerst voor op 9 juni 1297, wanneer er sprake is van land gelegen tussen Honinghen en Rubroec. Of het kasteel dan reeds bestaat, is niet zeker, maar op 6 augustus 1318 is dat wel het geval. Op deze dag draagt Oetsier van Cralingen, ridder, zijn huis te Honinghe op aan het kapittel van Brielle, om het onmiddellijk terug te ontvangen tegen betaling van 10 lb. Hollands per jaar.

Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten verbrandt het kasteel, maar wordt voor het einde van de eeuw weer opgebouwd. Volgens de Rotterdamse historicus Jacob Lois (ca. 1672): ‘Dit slodt is verbrandt ende bedorven in den jare 1426 van eenen Willem Nagel‘ … ‘wederom wel gerepareert ende opgemaekt in t jaer 1462 van heer Floris van Cralingen, …

Het leenregister van Honingen behelst o.m. een aantal ‘verlijen‘ (een oud woord voor verhuren) door Gerrit (V) van Assendelft.

In 1572 treft opnieuw rampspoed het al vervallen slot wanneer geuzen er hun intrek nemen. Rotterdam heeft zich als een van de weinige steden nog niet aan de kant van Oranje geschaard, maar wanneer op 25 juli geuzenaanvoerder Lumey van der Marck vanuit Dordrecht de stad binnentrekt, erkent Rotterdam de prins. Lumey maakt zich niet populair door het kerkzilver op te eisen. Oranje benoemt in zijn plaats in 1573 Marnix van Sint-Aldegonde tot gouverneur in Rotterdam, Delft en Schiedam en zet Lumey gevangen in het slot Honingen.

Enkele jaren voor jonker Jan (Johan V van Assendelft 1544-1618) in 1578 het bezit van Honingen aanvaardt, is het slot een der vele slachtoffers van de 80-jarige oorlog (‘resterende alleenlyck de mueren‘). De bewoners hebben dit waarschijnlijk zelf gedaan, om te verhinderen dat de Spanjaarden er in trokken. Lois: ‘sedert de jaere 1574 door alle de inlantsche troubelen seer geruwineert ende bedorven en verbrant, ende daernaer geheel tot een ruwiene blyven leggen.’

Op 12 oktober 1668 koopt de stad Rotterdam van de heer Van Assendelft o.a. de heerlijkheid van Cralingen met de ruine van het kasteel Honingen. In juni 1672 heeft de stad Rotterdam ‘alles tot den gront toe laeten afbreecken ende alles slechten.’

Over het Klooster Koningsveld

Koningsveld, een Norbertijner klooster, werd in 1251 als mannenklooster gesticht door jonkvrouw Ricardis, dochter van graaf Willem I van Holland en tante van Rooms-Koning Willem II, aan wie de abdij dus zijn naam ontleende. Het voornaamste doel van de uit Frankrijk afkomstige kloosterorde was om de nog nauwelijks ontgonnen gronden in cultuur te brengen. De abdij is reeds enkele jaren na de stichting omgezet in een vrouwenklooster en is dat tot het einde ook gebleven.

Koningsveld is in bouwen van het oudste grafelijke hof gesticht, dat in direct verband staat met Delft, waaraan door graaf Willem II van Holland in 1246 stadsrechten waren verleend. Ricardis stierf in 1263 en werd begraven in de abdij. De jonkvrouw was een vrouw met een vooruitziende blik. Dit blijkt uit het feit dat zij aan de vooruitgang van Delft een grote bijdrage heeft geleverd met name door de stichting van het gasthuis. Zij wordt wel “de moeder van Delft” genoemd.

In 1572 werd Koningsveld op bevel van het Delftse stadsbestuur bij de nadering van de Spaanse troepen ontruimd en gesloopt om te voorkomen, dat de vijand zich in het gebouwencomplex zou verschansen teneinde van daaruit een mogelijke aanval op de stad te ondernemen.

Genealogie

I. Ogier (Otierus, Ogerus, Odgier, Oedzier) I van Voorschoten (genoemd 1206-1217)  

De stamvader Ogier werd voluit genoemd in 1215 en 1217. Hij trad toen op als getuige in twee grafelijke charters. Waarschijnlijk werd hij ook al vermeld in de periode 1206-1215 als grafelijke dapifer Ogerus. Op grond van deze vermeldingen is het aannemelijk dat omstreeks 1180 geboren is.
De drost moet een van de belangrijkste functionarissen geweest zijn aan het hof van de graaf van Holland gedurende de twaalfde en de eerste helft van de dertiende eeuw. De Latijnse titel luidt dapifer, hetgeen spijsdrager betekent. In het Middelnederlands vindt men in de regel drossaet, drossaert of drussaet. De drost stond aan het hoofd van de hofhouding en was daarbij betrokken bij het beheer van het domein. In de naburige graafschappen zien we dat hij tevens zorg draagt voor de bewaking van de vorstelijke residentie. Soms treedt hij op als rechter en vervangt zelfs de graaf in de curia bij de rechtspraak. Rond 1200 vinden we onder de bekleders van dit ambt alleen leden van de hoge Hollandse adel.
In de oorkonde van 28 juli 1215 werd hij in de getuigenlijst genoemd direct na het geslacht Van Teylingen en Van Wassenaar, maar vóór Jacob, Burggraaf van Leiden, Arnout van Rijswijk, Johannes Persijn en IJsbrand van Haarlem. Van het merendeel van deze personen staat vast dat zij behoorden tot de vrije adellijke families, zodat het aannemelijk is dat ook Ogier hieruit afkomstig was.

Ogier huwde vermoedelijk met NN Gelekynsdr van Rijswijk, dochter van Gelekyn van Rijswijk en NN Woutersdr. van Egmond

Vermoedelijke kinderen uit dit huwelijk:
1. Gillis (Aegilius) I van Voorschoten, volg II.
2. Ogier uten Hoecke (genoemd 1249)
Heer Ogier Utenhoecke is de eerste bekende ontginner in de Wateringveld. Hij wordt genoemd in een akte van het jaar 1249. Ogier vestigde zich op een versterkte Hof of Curtis gelegen op een kleirug op de grens van Rijswijk en Wateringen. Hij is de vader van Gerard van de Watering. Beide waren Ridder en gunsteling van de toenmalige Graaf van Holland. De naam Hoe(c)k(e) vinden we terug op de kaart van Delfland uit 1712, n.l. Hoekblok, een strook land langs de Reynerwetering, waar ook de Curtis stond, en tegenwoordig de boerenwoning van de heer Van der Wel aan het einde van de Bovendijk. Het 2de Hoekblok was gesitueerd in de Wippolder langs de Strijp. Dit blijken eindstukken te zijn van een ontginningsfase want de naam Blo(c)land betekent beloken- of restland. Deze Hoekblokken vormen samen met de hoekpolder een hoekvorm. Dit kan de naam Hoek verklaren, in deze context is het aannemelijk dat Ogier Uten Hoecke de Rijswijkerbroek, Plaspoelpolder en als laatste de Hoekpolder en Hoekblokken ontgonnen heeft waarna zijn zoon Gerard, de stamvader van het geslacht Wateringhe, zijn domicile vestigde “in die Poele“, het gebied wat nu begrensd wordt door de Korte Noordweg, de Heulweg, de Kerklaan en de voormalige Oude hoge dijk, lopende van het Groene pad tot de Raaphorstbrug. Van daar uit zijn de Wateringveld- en Broekpolders ontgonnen, waarschijnlijk in de 13de eeuw.
II. Gillis (Aegilius) I van Voorschoten (genoemd 1247-1266, geb. 1215, overl. Delft 1282, begraven in Klooster Koningsveld)

Gillis I werd genoemd in een drietal oorkonden uit 1247, 1252 en 1266. In het charter van 1266 werd hij ‘dominis’ genoemd hetgeen bevestigd dat hij toen ridder was. In 1252 vervulde hij het ambt van ‘sub-baljuw’ van Zuid-Holland zodat hij toen wel op enigszins gevorderde leeftijd zal zijn geweest. Het vermoeden bestaat daarom dat hij rond 1210 zal zijn geboren, zodat hij op chronologische gronden inderdaad een zoon van Ogier I geweest kan zijn. Dit vermoeden wordt ondersteund doordat Gillis een zoon genaamd Ogier had.
In Schieland waren de oude ontginningen in de tweede helft van de twaalfde eeuw door overstromingen verloren gegaan. Vanaf het begin van de dertiende eeuw werd het verloren land weer in fasen ingepolderd.
Aangezien Gillis in 1252 het ambt van ‘sub-baljuw’ van Zuid Holland bekleedde, is het waarschijnlijk dat hij toen al niet meer in Voorschoten woonde, maar in zijn ambtsgebied. Omdat het in de genoemde vermelding van 1266 gaat om een bemiddeling tussen de abt van Egmond enerzijds en de parochianen van Overschie anderzijds was hij mogelijk al woonachtig op het in deze parochie gelegen nieuwe kasteel Starrenburg in het ambacht wat later Hogenban zou worden genoemd.
Kennelijk bleef men tijdens de dertiende eeuw in de regio last houden van overstromingen en dijkdoorbraken. In 1281 namelijk ontsloeg graaf Floris V de ingezetenen van acht ambachten in Schieland van hun bijdrage in het dijkonderhoud. Hij bepaalde dat de aan het water prijsgegeven polders aan de ingezetenen zouden toevallen die de herbedijking op zich hadden genomen. Het buitendijkse (verloren gegane) land zou aan de grafelijkheid toevallen. De genoemde acht ambachten waren Zevenhuizen, Bleiswijk, Rotte, ‘officio de Scie’ (Overschie), ‘officio domini Aelwini de Roderise (Berkel), ‘domini Arnesti de Wluen’ (Ernst van Wulven), ‘in Broec’ (Schiebroek), ‘officio domini Egidii de Voerscoten’ en ‘officio dicto Bokeldijc’ (Bokelsdijk). Uit de volgorde van opsomming van deze ambachten kan worden opgemaakt dat met het ‘officio domini Egidii de Voorscoten’ inderdaad het latere ambacht Hogenban werd bedoeld. Gillis I hield ook nog het Oostambacht van IJsselmonde in leen van de Hofstad Egmond. Gillis I was in 1283 overleden, want toen waren zijn grafelijke lenen overgegaan op Ogier II, die vermoedelijk zijn oudste zoon was.

Gillis I was vermoedelijk getrouwd met een dochter van Hugo van Strijen (zie hierna bij 2.).

Kinderen uit dit huwelijk:
1. Ogier II van Voorschoten, volg III.
2. Huge Strijn (genoemd in 1308, overl. vóór 1308)

Huge Strijn werd door Ogier II in een charter uit 1308 genoemd als zijn al overleden broer. Dit zou zowel een natuurlijke broer als een halfbroer of zelfs een zwager kunnen betekenen. Gillis I was dus misschien getrouwd met een onbekende dochter van Hugo van Strijen (vermeld 1204, 1213) en had zijn zoon Huge Strijn als tweede zoon naar zijn moederlijke grootvader vernoemd.

3. Storm heer Gilliszoon (genoemd 1303)

Storm heer Gilliszoon komt voor in een charter van 29 november 1303. Hierin wordt vermeld dat hij zich onderwerpt aan een uitspraak van graaf Jan II over zijn eedbreuken tegen deze graaf. Omdat Storm zelf geen zegel had, verzocht hij ridder Kerstant van Raaphorst en de knapen Ogier uten Hoeke en Ogier van Cralingen voor hem te zegelen. De naam van Storm is overgeleverd in de Stormpolder, gelegen tegenover Capelle aan den IJssel bij de splitsing tussen IJssel en Lek. Het gebied was oorspronkelijk bezit van Dirk Traveys van Moordrecht, maar deze had zich bij de verzoeningen tussen graaf Floris V enerzijds en de gebroeders Van Amstel en Herman van Woerden anderzijds borg gesteld voor de laatsten. Na de moord op graaf Floris V in 1296 werd zijn oudste zoon Willem van Moordrecht als borg aangesproken en werd het ambacht Capelle en de latere Stormpolder geconfisceerd waarop deze bezittingen aan het geslacht Van de Leck kwamen. Zíj gaven de polder aan Storm in leen.
Willem van Moordrecht was al begonnen met de bedijking, maar waarschijnlijk door de confiscatie niet in de gelegenheid geweest de bedijking af te maken. Omstreeks 1304 hield Philips van Duivenvoorde een goed in Sassenheim dat van Storm was geweest.
Storm had een zoon genaamd Gillis Stormszoon. Deze hield op w3 april 1342 de Stormpolder in Capelle aan den IJssel in leen van Jan I van Polanen van de Lek en droeg deze toen over aan Gillis II van Cralingen, die toen als neef van de leenheer werd vermeld (Deze verwantschap zal hierna worden toegelicht). Op 1 juli 1343 werd de overdracht bevestigd, waarna Gillis Stormszoon werd aangeduid als leenman van Jan van Wateringen.

Volgens een hypothese van de heer Hans Nagtegaal is hij de stamvader van de geslachten Storm en Storm van ’s Gravensande.

4. Jan heer Gilliszoon van Vorscode (genoemd in 1306-1315)

Jan heer Gilliszoon van Vorscode wordt vermeld in een register van soldijen uitbetaald door graaf Willem III na de veldtocht tegen Vlaanderen in 1315. Misschien was hij dezelfde als de Jan van Voorschoten die omstreeks 1306 werd vermeld als knaap in dienst van Bernd van Dorenwerde, baljuw van Amstelland. Hij mag echter niet verward worden met een andere in dezelfde periode voorkomende Jan heer Gilliszoon, een vermoedelijke zoon van Gillis van Wendelnesse. Gillis van Wendelnesse (vermeld 1283-1290) zegelde met een dwarsbalk zodat er geen aanwijzingen zijn voor verwantschap in mannelijke lijn.

III. Ogier II van Voorschoten (genoemd in 1280-1309, geb. 1247, overl. 1308)

Ogier ll van Voorschoten werd voor het eerst vermeld in 1280 en wel als getuige. Op grond van deze vermelding en de vermoedelijke geboorteperiode van zijn vader Gillis I wordt ingeschat dat hij ongeveer 1247 zal zijn geboren. Zoals hierboven vermeld was Gillis I in 1283 overleden omdat toen zijn grafelijke lenen op Ogier II waren overgegaan:

Haer Oytgier tseren Gilis sone van Vorscoten hevet ontvaen vanden grave dat goet van van Vorscoten, dat es dat huus ende dat erve daert op staet dat ziin vader vanden Grave hielt. Voert dat ambochte tote Scie ende dat huus ende tvelf morghen lants, dat zijn vader hielt vanden grave, voert dat ambochte van Rubroke ende van Rotterdam ter halver Rotte, Voert dien thiende in Riede die zijn vader ene hi hielt vanden here van Thelinge. Voert dat ambochte van Slupewiic. Voert dat goet ter Putkupe in dat Bisscopdome. Die hoefstede ter Schie tuschen die sluse ende Jacops Kerrebakes, ende dat erve dat daer to behoert.”

Hiermee krijgen we inzicht in de grafelijke lenen van de Van Voorschotens. Als eerste betrof dat een huis en erf in Voorschoten, waarschijnlijk de oorspronkelijke woning aldaar. Met het “ambochte tote (aan de) Scie” werd het ambacht Hogenban bedoeld en “het huus ende twelf morghen lants” zal het nieuwe kasteel Starrenburg zijn. Voorts had Ogier II nog de ambachten Rubroek en “Rotterdam ter halver Rotte” (Rotterdam beoosten de Rotte) en een tiende in de Riederwaard van zijn vader geërfd.
Naast deze van zijn vader geërfde bezittingen was Ogier II ook nog grafelijk leenman van andere goederen, zoals het oosteinde van het ambacht Sluipwijk, Putkope bij Harmelen en een aantal hofsteden nabij de sluis van Overschie.
Omstreeks 1295 bepaalde een grafelijke commissie dat “in Ghiscbrecht Bokels ambocht ende Otgiers heren Otgiers sone te Rotterdamme” de uiterdijk aan de graaf behoorde. Omdat Gijsbert Bokel Rotterdam bewesten de Rotte hield, zal met het tweede deel van de vermelding de al genoemde ten oosten van de Rotte gelegen ambachten Rubroek en Rotterdam ter halver Rotte worden bedoeld. Deze ambachten zijn kennelijk al tijdens het leven van Ogier ll op zijn zoon Ogier heer Ogierszoon (Ogier III) overgegaan, mogelijk vanwege een huwelijk. Ogier III zou dan omstreeks 1275 zijn geboren hetgeen chronologisch past bij de veronderstelde periode voor de geboorte van zijn vader.
Dezelfde commissie constateerde ook dat qravin Aleid van Avesnes (de zuster van graaf Willem Il, tot 1263 voogdes over graaf Floris V) de ambachten Rubroek en Rotterdam ter halver Rotte destijds niet had mogen verkopen zonder toestemming van graaf Floris. Deze koop moest daarom gedeeltelijk worden geannuleerd, onder schadeloosstelling van de kopers.
Rubroek was in 1315 inderdaad weer in bezit van de grafelijkheid. Of de beslissing van deze commissie de werkelijke dan wel enige reden was voor het verlies van Rubroek en Rotterdam beoosten de Rotte, mag worden betwijfeld. Gijsbert Bokel raakte na de moord op graaf Floris V zijn bezittingen ten westen van de Rotte kwijt. Dit kwam doordat zijn vader en hijzelf zich borg hadden gesteld voor de verzoeningen tussen graal Floris V enerzijds en de gebroeders Van Amstel en Herman van Woerden anderzijds. Het moet voor Wolfert van Borsselen, de feitelijke machthebber achter de vijftienjarige graaf Jan I, een aantrekkelijk gedachte zijn geweest om beide helften van de groeiende nederzetting Rotterdam in bezit te krijgen, mede omdat Dordrecht en Schiedam onder controle stonden van het rivaliserende geslacht Avesnes. Een andere aanwijzing dat Wolfert van Borsselen betrokken was bij het verlies van Rubroek is gelegen in het feit dat hij ook de Putkope uit het bezit van de van Voorschotens overnam. Melis Stoke beschrijft in zijn rijmkroniek dat Wolfert hier een verdedigingsburcht bouwde:

int ende van Woerden begondi maken / ene borch, conde hijt gheraken / groot, wijt ende daer toe starc dede hi (lees: Wolfert van Borsselen) beginnen daer dat were / tote eenre stede de men hiet die Pitkupe, so dat men / niet Int lant soude moghen comen”.

Op 9 juli 1297 deed graaf Jan I uitspraak in een geschil tussen de ‘lieden vt sharen Ogiers ambochte ende ut Herman Bokels ambochte toet Yselmunde‘ (respectievelijk de ambachten Oost- en West-lJsselmonde) en bepaalde dat de eerstgenoemden eenderde en de laatstgenoemden tweederden aan de jaarlijkse bede en heervaart moesten bijdragen. Op dezelfde dag verbood graaf Jan I iedereen die niet in staat was om de dijk te onderhouden land te kopen in het gebied tussen Rubroek en Honingen (het ambacht Kralingen). Bovendien gaf hij een Ogier van Cralingen het recht van nakoop aldaar, onder voorbehoud van zijn eigen hoger grafelijk recht tot nakoop. Ook gebood graaf Jan I dat geen welgeboren of eigen man zonder hun beider goedkeuring land zou kopen in het ambacht Kralingen, waarschijnlijk omdat deze categorie van eigenaren was vrijgesteld van ambachtslasten. Dit waren tamelijk normale regelingen voor een ambacht dat kennelijk nog steeds overstromingsgevaar liep. Of met de genoemde Ogier van Cralingen, Ogier II dan wel zijn zoon Ogier III werd bedoeld:is onduidelijk. Hierop wordt hierna verder ingegaan. Op  24 januari 1299 schonk Oethgier, ridder, ‘sone haren Gillis van Vorscoten’ aan het Delftse klooster Koningsveld, ‘onse vrie eighen lant ende huus, dat wi hebben te Voerscoten lecghen bi der Burgh drie marghen ende en half’.

Dan volgt een merkwaardig document. Zoals bekend werd Wolfert van Borsselen op 1 augustus 1299 vermoord, waarna de steden Jan van Avesnes (Jan II) tot regent benoemden. Jan Il herriep direct alle handelingen van graaf Jan I omdat deze veelal onder invloed van Wolfert van Borsselen tot stand waren gekomen. Graaf Jan I droeg op 27 oktober 1299 de regering over aan Jan II en overleed twee weken later. Op 24 november 1299 gaf de jonge gravin-weduwe Elisabeth een verklaring af die begint als volgt: “dat wi verstaen hebben van warachter orkonde, dat Haer Oedgier van Cralinghen, ridder ene letter hadde, bezeghelt mette zeghele ons liefs heren haren Florens wilen Grave van Hollant van Zelant ende here van Vrieslant”. Dit is een nogal ongebruikelijke formulering die lijkt op een vidimus maar het niet is: Elisabeth had ‘verstaen’ (begrepen, dus niet zelf gezien?) dat Heer Ogier, ridder, in het bezit was van een oorkonde van Floris V. In opvallend contrast met de eerste paragraaf is de gedetailleerdheid waarmee Elisabeth de inhoud van de oorkonde van Floris V wist te reproduceren. Ogier werd het recht van nakoop in Cralingen verleend en bovendien werd geboden dat alleen gegoede personen in het ambacht van Cralingen land mochten kopen, zodat zij in noodgevallen konden bijdragen aan het herstel van de dijk. In grote lijnen dus een bevestiging van de op 12 juni 1297 door graaf Jan I afgegeven oorkonde.
Niet alleen vanwege de formulering is het een merkwaardige oorkonde. Als Ogier werkelijk in het bezit zou zijn van een door graaf Floris V afgegeven oorkonde, waarom liet hij deze dan bevestigen? Het was immers niet te verwachten dat graaf Jan II ook oorkonden zou herroepen die door Floris V waren afgegeven. Ook valt op dat deze verklaring door de gravin-weduwe op 24 november 1299 is afgegeven terwijl graaf Jan II al op 29 november in Middelburg en op 11 december in Dordrecht werd ingehuldigd. Waarom deze haast en waarom niet gewacht op de komst van graaf Jan II?

Een mogelijke verklaring is dat de oorkonde van Floris V niet heeft bestaan. Misschien had Ogier van Wolfert van Borsselen het ambacht Kralingen mondeling toegezegd gekregen als compensatie voor Rubroek, Rotterdam beoosten de Rotte en de Puthope. Om dit te bevestigen liet -Wolfert van Borsselen door graaf Jan I in 1297 de ogenschijnlijk niet controversiële oorkonde afgeven en om zijn aanspraken te versterken ging Ogier van Voorschoten zich direct nadrukkelijk Van Cralingen noemen. Nadat graaf Jan II alle handelingen van Jan I had herroepen was de oorkonde van Jan I echter waardeloos geworden zodat Ogier de jonge gravin-weduwe nog snel bovengenoemde verklaring liet opstellen. Hoe het ook zij: het ambacht Kralingen bleef voor Ogier en  zijn nazaten behouden, hoewel een expliciete belening met het ambacht in de grafelijke leenkamer niet voorkomt.

Dan nu de vraag wie in 1297 en 1299 met Ogier van Cralingen werd aangeduid: Ogier II of zijn zoon Ogier III? In de oorkonde van Jan I uit 1297 is sprake van een Ogier van Cralingen zonder meer; in de verklaring van Elisabeth uit 1299 wordt Ogier van Cralingen echter als ridder aangeduid. Maar zoals al beschreven zegelde een knaap Ogier van Cralingen in 1303  ten behoeve van zijn oom Storm. Dus óf ridder Ogier II werd in 1297 en 1299 als Ogier van Cralingen aangeduid en zijn zoon Ogier III zegelde in 1303 als knaap Ogier van Cralingen; óf Ogier III werd in 1297, 1299 en in 1303 als Ogier van Cralingen aangeduid en de vermelding ridder in de toch al verdachte verklaring van 1299 is een vergissing. Een definitieve uitspraak hierover is daarover hier niet te geven.
Ogier II, ridder, was op 23 augustus 1308 te Koningsveld en schonk:

voor onshe ons vader siele ende onser vrouwen onser moeder. Ende onser vrouwen onser wive die daer begraven lechghen ende voor ons selves ziele aan het klooster drie pont ghelts jaers die lechghen te Vorscoten bider borch up vijrde half marghcn [3,5 morgen] lants of daer bi. Vort sees marghen lants die lechghen in den ouden dijc in Schijeambacht die magnus waren ende tue marghen lants die lechghen up den cleynen darch in ons ambocht. Vort in Yselmonde vijf gherden lants die lechghen in ons ambocht daer Hughe Ottensone up wonet ende alsulc erve gheheeliken als ons bestarf te Risewijc van Hughen Striin, onsen broederen”.

Het bedrag van drie pond dat verbonden was aan 3½ morgen land bij de borch betrof mogelijk een betalingsverplichting die nog rustte op de al in 1299 geschonken 3½ morgen land. De genoemde “cleynen darch” lag misschien in de inpoldering Dariën in de Hogenban; een naam die mogeliik aangeeft dat op deze plaats sprake was van darink delven oftewel zoutwinning.

Uit het charter blijkt dat zowel de ouders van Ogier II als zijn vrouw begraven waren in Koningsveld. Ook blijkt nu het bestaan van de al behandelde overleden broer Huge Strijn. De zegels van dit charter zijn bewaard en hieruit blijkt dat Ogier II zegelde met een achtpuntige ster (afb 2b). Ook werd het charter mede bezegeld door Ogier uten Hoeke “onsen maegh”(afb. 2c), die zegelde met drie achtpuntige sterren, en doorJan Maerliin, “onsen prochypape van Schye”. Kennelijk woonde Ogier II toen nog steeds in de parochie Overschie en dus waarschijnlijk op het kasteel Starrenburg.

Zoals hierna zal blijken had Ogier II een kleindochter met de naam Rikarde, die door graaf Willem III als nicht werd aangeduid, en voor wie deze laatste het huwelijk regelde. ln combinatie met de kennelijke affiniteit van Ogier II en diens vrouw voor het klooster Koningsveld leidt dit tot de speculatie dat Ogier II gehuwd was met een onbekende Jonkvrouw Rikarde die dan vernoemd zou zijn naar Rikarde van Holland, dochter van graaf Willem I en stichtster van het klooster Koningsveld.

Op basis van de hiervoor genoemde geboorteperiodes van Ogier II en Ogier III kunnen de geboortes van hun kinderen geplaatst worden in de periode 1270-1295, respectievelijk 1295-1310. Overgeleverde archiefstukken over de mogelijke kinderen van Ogier Il en Ogicr III geven echter slechts beperkte informatie over geboortedata of affiliatie. De hierna volgende opstelling van de kinderen van Ogier II en Ogier III is dus gedeeltelijk onzeker of zelfs speculatief.

mogelijke kinderen van Ogier II van Voorschoten:
1. Ogier heer Ogierszoon (Ogier III van Cralingen), volg IV.
2. (verm.) NN Ogiersdochter van Cralingen, tr. Jan van Sassenheim

Een Jan van Sassenheim werd door een dochter (Aleid) en vier vermoedelijke kleinkinderen van Ogier III als oom aangeduid. Ook heeft een Jan van Sassenheim aan deze Aleid een lijfrente geschonken. Bovendien (maar dit kan ook toeval zijn) had Storm heer Gilliszoon bezit in Sassenheim. Er zijn in die periode waarschijnlijk meerdere personen genaamd Jan van Sassenheim geweest en hun eventuele relatie met het geslacht Van Sassenheim is onduidelijk.

Een Jan van Sassenheim hield omstreeks 1282 twee kleine grafelijke lenen. ln 1309 bleek een Jan van Sassenheim tot diegenen te behoren die verdacht werden van de moord op Wolfert van Borsselen. In 1315 werd een Jan van Sassenheim genoemd als deelnemer aan de veldtocht tegen Vlaanderen en in 1332 en 1333 als baljuw van Zuid-Holland. In 1345 verkreeg een Jan van Sassenheim het schoutambacht van Haarlem en werd in 1349 als knape vermeld.

Op 3 januari 1359/1360 werd Jan van Sassenheim ontheven van een gijzeling. Op 21 oktober 1363 maakt een Jan van Sassenheim zijn testament waarin hij ondermeer een vicarie stichtte op het hoogaltaar van de kerk van Haarlem en zijn neef Floris Jan Berchmans als eerste bedienaar aanstelde. Zoals hierna zal blijken bleef het collatierecht van deze vicarie tot 1537 in het bezit van het geslacht Van Cralingen waarmee wordt bevestigd dat deze ‘Haarlemse’ Jan van Sassenheim verwant is aan de Van Cralingens. Het begijnhof van Haarlem ontving op 29 oktober 1363 een rente vqn 10 schelling na de dood van Jan van Sassenheim; in een necrologium van de abdij van Egmond wordt echter vermeld dat Jan van Sassenheim op 31 oktober in 1364 zou zijn overleden. Een vermelding in de Teylingse leenkamer waarin Koen Cusersz. van Oosterwijk al op 31 maart 1357 wordt beleend met een deel van de tiende van Schoten na de dood van een Jan van Sassenheim maakt het nog iets ingewikkelder. Koen Cusersz. was een zoon uit het huwelijk van Ida van Oosterwijk (zuster van de hierna te noemen Koen II) met Willem de Cuser (bastaardzoon van graaf Jan II) en vader van de in 1392  vermoorde Willem Cuser. Jan van Sassenheim had een dochter Agatha die samen met Elisabeth van Santhorst in 1368 als getuige optrad bij een schenking door Meijne uten Waerde aan de armen van Leiden.

De aanduiding als oom zou kunnen worden verklaard als Jan van Sassenheim getrouwd was met een onbekende dochter van Ogier II. Meer dan een speculatie is dit echter niet, er zijn nog meer mogelijkheden. De belening van Koen Cusersz. met de tiende van Schoten na het overlijden van Jan van Sassenheim is in dit verband intrigerend. Is dit toeval of was er sprake van verwantschap? De suggestie van Brokken dat Ogier II getrouwd was met een dochter van Jan van Sassenheim lijkt chronologisch gezien in ieder geval minder waarschijnlijk.

3. (verm.) NN Ogiersdochter van Cralingen tr. Jan van der Spangen

Sophie van der Spangen werd van 1370 tot 1395 vermeld als non en “subpriorin” in de abdij Rijnsburg; in 1397 werd zij begraven. Sophie ontving op 12 oktober 1371 van Dirk van Zwieten (Dirk Va bij Van Kan) een rente van 20 schelling die hij had geërfd van zijn nicht Meijne uten Waerde en die Jan van Sassenheim eerst aan Aleid van Cralingen had geschonken. Sophie schonk op 11 juni 1383 aan het convent van Rijnsburg een rente van 40 schellingen die zij geërfd had van haar oom Jan van Sassenheim. Sophie en haar broers Philips, Dirk en Ogier waren kinderen van de in 1342 overleden Jan van der Nesse/van der Spangen. Mede gezien de voornaam van Sophie’s broer Ogier was Jan van der Spangen (van wie geen echtgenote bekend is) misschien getrouwd met een onbekende dochter van Ogier II. Philips van der Spangen blijkt in 1396 samen met de broers Ogier V en Willem I van Cralingen 6 morgen land in De Lier geërfd te hebben van Jan van Sassenheim die zij dan verkopen aan Dirk van Zwieten.

IV. Ogier heer Ogierszoon (Ogier III van Cralingen) (genoemd 1295-1327, geb. 1275, overl. 1323); tr. (speculatief) NN Van Brederode

Ogier Ogierszoon werd al in 1295 vermeld als eigenaar van de beide ambachten beoosten de Rotte en zegelde hij in 1303 voor zijn oom Storm Gilliszoon. Op 19 mei 1314 deed Jan van Beaumont uitspraak over diverse geschillen tussen heer (lees: ridder) Ogier van Cralingen, ambachtsheer van Hogenban, en Dirk Bokel uter Nesse, knape, ambachtsheer van het aangrenzende ambacht Matenesse, onder andere over het voorrangsrecht van zijn vrouw bij het voorofferen in de kerk van Overschie. Waarschijnlijk was Ogier II inmiddels overleden en betreft het hier nu zijn zoon Ogier III. Ogier III bezocht blijkbaar nog steeds de parochiekerk van Overschie en woonde dus waarschijnlijk nog op het kasteel Starrenburg. Hij verloor de strijd, grotendeels omdat Dirk Bokel afkomstig was uit het oude geslacht Van Rodenrijs.

Misschien was dit gezichtsverlies voor Ogier aanleiding om naar Kralingen te verhuizen en daar het slot Honingen te betrekken. In ieder geval bestond het kasteel Honingen op 6 augustus 1318, want op die datum droeg Ogier het slot Honingen op aan het kapittel van Brielle en huurde het vervolgens van het kapittel voor 10 pond per .jaar. Op 4 december 1315 werd Ogier als ridder aangeduid. Ogier werd op 5 oktober 1314 vermeld als eigenaar van een woning in het ambacht Wateringen en in 1317 werd “heren Odsiers ambacht van Cralingen” nog vermeld. Op 27 juli 1329 verkocht zijn oudste zoon Gillis II de tiende van de Riederwaard, mogelijk uit de erfenis van de dan overleden Ogier III. Op 12 juni 1335 werd gesproken over Gillis’ ambacht van Cralingen zodat Ogier III dan zeker zal zijn overleden.

Ogier III was volgens Hoek getrouwd met de oudste dochter van Dirk de Visser van Schouwen (uter Scouden) omdat Ogier’s oudste zoon Gillis II beleend werd met Dirks huis Crooswijk. Dit lijkt echter niet waarschijnlijk omdat Ogiers dochter Hildegonde getrouwd was met een zoon van Dirk de Visser van Schouwen; naast chronologische problemen zou dit een te nauwe verwantschap zijn geweest. Er zijn diverse argumenten te bedenken ter ondersteuning van een speculatie dat Ogier III getrouwd was met een onbekende jonkvrouw uit het geslacht Van Brederode. Ten eerste had Ogier III een aantal kinderen met typische Brederode-voornamen als Hildegonde, Aleid, Floris en Dirk. Ten tweede werden Gillis II en Elisabeth Ogiersdochter door Jan I van Polanen (getrouwd met Catharina van Brederode) als neef respectievelijk nicht aangeduid. Ten derde wordt een dochter van Gillis door graaf Willem III als nicht aangeduid, wat gebaseerd zou kunnen zijn op de verwantschap van de Van Brederodes met het grafelijk huis. Ten vierde trad (zoals hierna zal blijken) Ogier V in 1360 op als getuige bij de huwelijksgift van Dirk van Brederode aan diens zoon Walraven en trad Dirk II van Cralingen in 1370 op als getuige bij een schikking tussen Dirk en Baarte van Brederode.

Mogelijk ook relevant is dat de naam Rikarde ook in het geslacht van Brederode voorkomt: een Rikarde van Brederode werd in 1303 en 1325 als non in de abdij Rijnsburg vermeld.

Er is anderzijds ook een argument tegen de speculatie aan te voeren, namelijk dat, Ogier in het ongelijk was gesteld voor wat betreft het voorofferen van zijn echtgenote in de kerk van Overschie: is dit aannemelijk als deze echtgenote afkomstig was uit het geslacht Van Brederode.

Mogelijke kinderen van Ogier III van Cralingen:
1. Gillis II van Cralingen, volg V.
2. Dirk II van Cralingen (genoemd 1342-1365, overl. vóór 12 november 1380), tr. Elisabeth de Gruijter, dochter van Claes de Gruijter.

Dirk II van Cralingen zegelde op 28 februari 1342 voor Ogier V en Willem I, de nog onmondige zonen van zijn broer Gillis II en werd door hen als oom aangeduid. Dirk zou als tweede zoon van Ogier III vernoemd kunnen zijn naar de (mogelijke) grootvader van moederszijde, Dideric de Visser uten Scouden. Dirk II was lid van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe van Halle. Dirk koos in eerste instantie de zijde van Keizerin Margaretha, maar in 1355 verzoende hij zich weer met Graaf Willem V. In 1359 kreeg hij van Ruwaard Aelbrecht de goederen die Floris de Visser had verbeurd. Dit ondersteunt het vermoeden van verwantschap.

Op 28 juli 1370 trad hij op als getuige bij een schikking tussen Dirk van Brederode en Baarte van Brederode, weduwe van Walraven van Brederode. In 1365 bleek Dirk naast drie zoons Ogier VII, Gillis VI en Philips, ook een dochter Rikarde te hebben. In 1384 werden bij de verdeling van de erfenis van hun neef Jacob Willemsz. van Velsen echter alleen nog Philips en Rikarde genoemd, zodat Ogier en Gillis waarschijnlijk inmiddels waren overleden. Dirk II was getrouwd met Elisabeth de Gruijter. Zij werd op Sint Lebuïnusdag (12 november) 1380 vermeld als “Lijsbeth Dircxs weduwe van Cralingen” toen zij een vicarie stichtte op het vrouwenaltaar in de kerk van Haarlem.

3. Ogier IV van Cralingen (genoemd 1340, 1359)
Ogier IV werd op 14 augustus 1340 voorgedragen als proester van de kerk van Scherpenisse en was op grond van zijn voornaam vermoedelijk de derde zoon van Ogier III. Hij werd in 1359 nog als “parochiepaap” vermeld.
4. Floris I van Cralingen (genoemd 1334, overl. vóór 2 april 1340), tr. Willijn Mabelie uten Waerde, dr. van Jan uten Waerde en Christina van Oegstgeest.

Floris I ontving in 1334 twintig pond uit de rente van Noord-Holland. Op 2 april 1340 werd hij vermeld als de dan al overleden echtgenoot van Willem Mabelie uten Waerde, een achternichtje van de Leidse Burggraaf Dirck van Kuyck, wiens goederen Floris’ broer Gillis II als rentmeester zou beheren. uit chronologische overwegingen wordt aangenomen dat Floris I een zoon was van Ogier III. Jan uten Waerde, een zoon van Floris en Willem Mabelie, liet in 1371 na zijn vermoedelijk kinderloos overlijden een leen na aan zijn neef Willem I van Cralingen.

5. Rikarde I van Cralingen (genoemd 1323), tr. Jan de Snider

Op 13 juli 1323 regelt Graaf Willem III de huwelijkse voorwaarden van zijn nicht Jonkvrouw Rikarde, heren Ogiers dochter van Cralingen, met de Dordrechtste poorter Jan de Snider.

De originele oorkonde is verloren en het stuk is slechts in twee afschriften bewaard gebleven; in het tweede afschrift ontbreekt de toevoeging dochter. Hoek stelt daarom dat het niet Ogiers’ dochter maar diens weduwe was die trouwde met Jan de Snider. Deze stelling lijkt echter niet erg aannemelijk omdat Ogier III in 1323 waarschijn;lijk nog in leven was. De naam Rikarde lijkt in de volgende generatie een speciale betekenis binnen het geslacht te hebben behouden; zowel haar vermoedelijke broer Dirk II, als haar vermnoedelijke zusters Hildegonde en Elisabeth Ogiersdochter hadden een dochter met de naam Rikarde. Rikarde’s echtgenoot Jan de Snider was lid van de broederschap Onze-Lieve-Vrouwe van Halle, evenals Dirk van Brederode, Dirk II van Cralingen en Dirk van der Spangen.

6. Hildegonde van Cralingen (genoemd 1333-1370, overl. vóór 1390), tr. Dirk de Visser, zoon van Dirk de Visser van Schouwen (Dideric de Visser uten Scouden?)

Hildegonde was met zekerheid een dochter van Ogier III omdat (zoals door Hoek vastgesteld) uit het randschrift van het door haar in 1370 gebruikte zegel blijkt dat het zegelcachet afkomstig was van Ogier III toen deze nog een knaap was. Hildegonde was de tweede vrouw van Dirk de Visser, die haar op 10 april 1333 lijftochtte aan het slot Bulgerstein. Indien zij bij haar huwelijk ongeveer twintig jaar oud was, dan zou zij in de periode 1310-1315 geboren zijn, wat ook chronologisch gezien bevestigt dat zij een dochter was van Ogier III.

Op 16 april 1366 werd zij als weduwe van Dirk de Visser vermeld toen zij een rente vestigde op een kapelanie in de kerk van Rotterdam.

Op 15 september 1370 gaf zij als Jonkvrouwe van Bulgerstein aan haar nicht Sophie van der Spangen een rente van 40 schellingen die zij van haar overleden zus Aleid had geërfd en die deze laatste van haar oom Jan van Sassenheim als lijftocht had gekregen. Bovendien gaf Hildegonde aan Sophie haar aandeel in een rente van 1 pond op het land dat Jan van Sassenheim al aan Sophie als lijfrente had vermaakt.

Hildegonde schonk aan het Karthuizerklooster te Geertruidenberg in totaal 10 morgen land te IJsselmonde in “Oziers ambacht van Cralingen”, welk land sinds 1373 onder water stond.
Over het bezit van Bulgerstein ontstond nog een twist tussen Hildegonde en haar stiefzoon Floris.

Hildegonde was in 1390 overleden want toen verzocht haar dochter Rikarde om belening met Bulgerstein. Rikarde was eerst getrouwd met Gerrit Boeijen (op wiens zoon Ogier Bulgerstein zou overgaan) en daarna met Willem Pijn. Willem Pijn verkocht in 1382 aan zijn zwager Willem I van Cralingen de erfenis die hem was aangekomen van Rikarde’s oom (lees: oudoom) Jan van Sassenheim.

7. Aleid van Cralingen (genoemd in 1362, overl. vóór 15 september 1370)

Aleid was een zus van Hildegonde dus ook met zekerheid een dochter van Ogier III. Aleid werd op 26 november 1362 vermeld in het archief van de abdij Rijnsburg toen zij een legaat ontving van Margriet persijn van Velsen, de tweede echtgenote van Jacob van der Binckhorst. ook ontving zij een lijftocht van haar oom Jan van Sassenheim. Zij moet voor 15 september 1370 overleden zijn, want toen ontving haar zus Hildegonde haar erfenis.

8. Elisabeth Ogiersdochter ( vóór 1342), tr. Aper II van Zwijndrecht, zoon van Willem Scoblant en NN Apersdochter van Zwijndrecht.

Elisabeth Ogiersdochter was getrouwd met Aper II van Zwijndrecht, zoon van Willem Scoblant, ambachtsheer en bedijker van het ondergelopen ambacht Zwijndrecht (vermeld 1337-1342). In deze slechts deels gedateerde leenakte wordt Elisabeth aangeduid als nicht van de op 26 september 1342 overleden leenheer Jan I van Polanen van de Lek. Deze verwantschap is gebaseerd op Jans huwelijk met Catharina van Brederode. Scoblant was vermoedelijk getrouwd met een onbekende dochter van Aper I van Zwijndrecht (vermeld 1272-1283). Deze onbekende dochter van Aper I zal ongeveer in de periode geboren zijn waarin haar vader vermeld was, zodat Aper II twintig tot dertig jaar later, omstreeks 1290-1310 geboren zal zijn. Dit zou dan ook kunnen gelden voor zijn echtgenote Elisabeth Ogiersdochter, zodat op chronologische gronden Elisabeth zowel een dochter van Ogier II als van Ogier III kan zijn geweest. De laatste mogelijkheid wordt, ondanks de overeenkomst in naamgeving tussen Ogier Ogierszoon en Elisabeth Ogiersdochter, waarschijnlijker geacht. Elisabeth heeft voorzover bekend geen erfenis ontvangen, misschien omdat zij voor Aleid was overleden. Elisabeth had een dochter Rikarde die in 1365 vermeld werd als non te Koningsveld.

9. Agnes van Cralingen (genoemd 1331-1335)

Agnes werd in 1331 vermeld als non in het klooster Leeuwenhorst. In 1334 werd zij vermeld in het testament van priester Nicolaas Alijt Scriversz. en in 1335 in het etstament van Liesbeth van Sassenheim, weduwe van Willem van der Made. Evenals Elisabeth zou Agnes chronologisch gezien zowel een dochter van Ogier II als van Ogier III kunnen zijn geweest. Omdat zij zich “van Cralingen” noemde wordt vooralsnog aangenomen dat zij een dochter was van Ogier III. Evenals Elisabeth heeft Agnes voor zover bekend geen erfenis van haar overleden zus Aleid ontvangen zodat ook zij mogelijk eerder is overleden.

10. (verm.) NN Ogiersdochter van Cralingen, tr. Herman I van Zwieten.

Op 12 juni 1371 schonken Koen van Oosterwijk (Koen II bij de Moor, oom van Koen Cusersz.), weduwnaar van Meijne heer Hermansdochter van Zwieten en zijn oudste zoons Koen III van Oosterwijk en Herman II van Zwieten een rente van 40 schellingen aan hun nicht Sophie van der Spangen die zij van hun nicht Aleid van Cralingen hadden geërfd en die deze van hun oom Jan van Sassenheim in lijftocht had. Bovendien gaven zij aan Sophie hun aandeel in een rente van 1 pond op het land dat Jan van Sassenheim al aan Sophie als lijfrente had vermaakt; een vergelijkbare situatie als bij Hildegonde van Cralingen dus. De kennelijke verwantschap met Aleid, Hildegonde, Jan en Sophie zou verklaard kunnen worden als Meijne’s vader Herman I van Zwieten (vermeld 1324-1344, overl. 1345, geen echtgenote bekend), grtouwd zou zijn geweest met een onbekende dochter van Ogier III van Cralingen. Deze verwantschap verklaart mogelijk ook de belening van Koen Cusersz. met de tienden afkomstig van Jan van Sassenheim.

Op 4 januari 1371 verklaarde Koen van oosterwijk aan zijn zwager Dirk van Zwieten dat hij was voldaan uit de nalatenschap van zijn nicht Jonkvrouwe Meijne uten Waerde en op dezelfde dag gaf Pieter Hughens (weduwnaar van Dircks’ zuster Yde van Zwieten) een gelijkluidende verklaring af. Dirk van Zwieten gaf op 21 oktober 1371 een rente aan Sophie van der Spangen die hij had geërfd van zijn nicht Jonkvrouw Meijne uten Waerde en dei Jan van Sassenheim aan Aleid van Cralingen had vermaakt. Meijne uten Waerde was dus kennelijk slechts enkele maanden na Aleid van Cralingen overleden en had een rente die zij vermoedelijk van Aleid had geërfd aan Dirk van Zwieten nagelaten.

Op 30 juni 1372 verklaarden de oudste zoons van Koen II, Koen III van Oosterwijk en Herman II van Zwieten aan hun neef Jan van Zwieten alle goederen in de Waard verkocht te hebben die zij van hun nicht Meijne uten Waerde hadden geërfd.

Op 10 oktober 1372 verklaarde Gillis van Zwieten dat hij een derde deel van de goederen in de Waard te Leiderdorp, nagelaten door Meijne uten Waerde en door hem gekocht van Koen III en Herman II, aan Dirk Va van Zwieten had verkocht. Dirk Va van Zwieten bleek op 26 februari 1395 ook nog goederen uit de erfenis van jan van Sassenheim en Aleid van Cralingen te hebben gekocht. Volgens het memorieboek van de Heilige Geest in Leiden is een Koen van Oosterwijk in het graf van Meijne uten Waerde begraven. Meijne schonk1368 een huisen een hofstede in Leiden aan de armen van Leiden, waarbij Agatha, de dochter van Jan van Sassenheim, als getuige aanwezig was.

De belangrijkste vraag die bovenstaande vermeldingen oproepen is waarop Meijne uten Waerde’s verwantschap met het geslacht Van Sassenheim is gebaseerd. De enige verklaring die de heer P.S.C. van der Plas hiervoor heeft kunnen vindenis een mogelijke gemeenschappelijke afstamming van het geslacht Van der Meije. Een volgende vraag is dan hoe Meijne in het bezit kwam van de rente die Jan van Sassenheim aan Aleid van Cralingen had geschonken. Was dit vanwege haar verwantschap met Willem Mabelie uten Waarde? Daniël uten Waerde was een neef van Willem Mabelie uten Waerde, een neef van Jan uten Waerde, de vader van Willem Mabelie en een neef van Ogier V. Gegevens over het geslacht uten Waerde zijn dusdanig fragmentarisch dat deze vraag niet met zekerheid kan worden beantwoord.

11. (verm.) NN Ogiersdochter van Cralingen, tr. Jan van Schie
Jan van Schie (overl. vóór 17 januari 1373) behoorde ook tot de erfgenamen van Jan van Sassenheim en was daarom misschien ook getrouwd met een onbekende dochter van Ogier III, mede gezien de voornamen van zijn kinderen Floris en Jonkvrouwe Aleid.
V. Gillis II van Cralingen (genoemd 1327-1343, geb. 1313, overl. 1344), tr. Badeloge van Hodenpijl, geb. 1317, overl. 1342, dr. van Arnoud van Hodenpijl en Meijne van Doortoghe.

Gillis II was vermoedelijk de oudste zoon van Ogier III. In 1327 trad hij op als getuige en op 27 juli 1329 verkocht hij onder leenverband de tiende van de Riederwaard aan Jan heer Gilliszoon, zoon van Gillis van Wendelnesse. Hij zal die tiende vermoedelijk hebben geërfd van zijn kennelijk dan al overleden vader Ogier III. Omtrent 1330 werd Gillis II gerekend onder de Godshuismannen van Egmond, waarschijnlijk in verband met bezittingen in Abtsrecht, tussen Delft en Kethel.

In 1333 lijftochtte Gillis zijn vrouw Badeloghe van Hodenpijl met onder meer de visserij uit de schuttingen in de Merwede langs Cralingen en met drie vierde van het veer IJsselmonde-Cralingen.

13-4-1333: “Gillys van Craylinghe tocht zijn echtgenote jonkvrouwe Badeloghe aan de schuttinge in de Merewede langs het ambacht Cralinghe, aan drievierde deel van het veer tussen Ysselmonde en Cralinghe en aan 17 morgen land in het ambacht Ysselmonde, verpacht aan Pieter Liefkind (L.H. 6, fol. 79v)”.

Gillis werd beleend met Crooswijk, niet bekend is wanneer dat precies was.

In een inventaris van brieven uit het begin van de vijftiende eeuw wordt een brief genoemd uit 1305 waaruit blijkt dat Gillis  van Cralingen met Floris van de Boekhorst zou hebben geschreven over een geschil tussen Jan van Wateringen en Willem van Engeland. Graaf Willem III doet echter pas op 4 mei 1333 uitspraak over dit geschil. Mede omdat er in de periode 1305-1327 geen andere vermeldingen van een Gillis bekend zijn, is het waarschijnlijk dat de datum in de inventarisatie niet juist is en de brief kort voor 1333 is geschreven.

In 1336 werd Gillis II door Graaf Willem III aangesteld tot rentmeester over de goederen van de Burggraaf van Leiden vanwege diens ouderdom en maakte hij deel uit van de grafelijke herberg, waarvoor hij een inkomen ontving.

In de periode 1338 tot 1340 trad hij op als baljuw van Rijnland. Op 10 november 1340 was hij ambachtsheer van Schoonderloo.

Op 1 juli 1343 werd Gillis II bevestigd in het bezit van de Stormpolder en werd hij door de leenheer Jan I van Polanen als neef aangeduid.

In 3443 droeg hij nog 19 pond af aan de Graaf. Op 3 augustus 1345 werd zijn oudste zoon Ogier V beleend met het huis Crooswijk, zodat we mogen aannemen dat Gillis II toen niet meer in leven was. Hij zal niet gesneuveld zijn bij Staveren, want die slag vond pas een maand later plaats.

Na de dood van Gillis hertrouwde Badeloghe met Dirk van der Does. Uit het huwelijk van hun dochter Aleid van der Does met Dirk van Zijl kwamen Ogier en Jacob van Zijl voort. Jacob’s zoon, Jan van Zijl Jacobszoon, was vanaf 1442 enige jaren schepen in Gouda en voerde een wapen samengesteld uit de achtpuntige ster van Van Cralingen en de adelaar van Van Zijl.

kinderen uit dit huwelijk:
1. Ogier V van Cralingen, volg VI.
2. Willem I van Cralingen (genoemd 1342-1405, overl. vóór 12 mei 1406), tr. Kerstine van Zuidwijk, dr. van Daniël van Rodenrijs en Margriet van Zuidwijk.

Willem I kreeg in 1342, nog onmondig zijnde, het oosteinde van Sluipwijk en de Stormpolder in achterleen van zijn oudere broer Ogier V. Bij de oproep tot dagvaart op 26 april 1360 en bij zijn aanstellingen tot baljuw van Rijnland in de periode 1361-1364 werd hij als ridder aangeduid. Ook bij de verdeling van de erfenis van zijn ouders in 1364 werd hij ridder genoemd, terwijl zijn oudere broer Ogier nog knape was.

Bij deze deling werd hij bevestigd in het bezit van Stormpolder en alle bezittingen in het baljuwschap van Delfland, Hodenpijl, Maasland, Vlaardingen en in het Abtsregt van Egmond. Ook kreeg hij een huis op het Roode Zand in Rotterdam, grenzend aan Bulgerstein, dat aan zijn nicht Meijne van der Doortoghe had behoord. Daarnaast kreeg hij het huis Crooswijk dat hij opdroeg aan Machteld van Voorne.

In 1368/1369 was hij ambachtsheer van Ravensberg (bii Gouda). Op 11 juni 1369 zegelde -Willem samen met zijn schoonmoeder Margriet van Zuidwijk het testament van haar moeder Heylewijf, weduwe van Dirk van Zuidwijk. Op 28 april 1370 werd Willem ingeschreven als nieuwe poorter van Leiden en in 1372 werd hij aangesteld als ambachtsheer van het oosteinde van Sluipwijk. Op 14 mei 1373 werd Jan van Kruiningen in Gorinchem beleend met het bruggraafschap van Zeeland. Hierbij was Willem als getuige aanwezig, waarbij hij merkwaardig genoeg als knaap werd aangeduid. In 1378/1379 werd hij vermeld als ambachtsheer van Zuidwijk. Op 22 december 1370 werd Willem wederorn vermeld als nieuwe poorter van Leiden tegen een betaling van 60 pond. Op 31 mei 1384 regelde Willem samen met zijn vrouw Kerstine van Zuidwijk de erfenis voor hun vier zoons Gillis III, Daniël I, Dirk I en Jan I. Op 8 maart 1387 bleek Willem samen met een aantal personen, waaronder Bertelmeus van Raaphorst, goederen in Zwammerdam en Reeuwijk te hebben gekocht van de vrouwe van Gouda, waarschiinlijk omdat Reinout van Brederode hierop in gebreke was gebleven.

In 1374 en 1390 was Willem hoogheemraad van Rijnland en in 1391 en 1405 heemraad van Schieland.

In 1385 kocht Willem 9½ morgen land in het ambacht Blommertsdijk “in de woning ter Wedena”. Op 7 juli 1396 werd door graaf Albrecht een bode naar hem gestuurd om hem op te roepen voor de veldtocht tegen de Friezen, “nonobstant ce qu’il s’en fuist paravant excusés” en ook in 1398 moest hij worden gemaand te komen. Op 26 juni 1398 werd Willem aangesteld als baljuw van Delfland en Schieland. In 1402 werd hij samen met zijn zoon Gillis III opgeroepen om de Arkelse stad Gorinchem te belegeren. In 1402, 1403 en 1405 werd hij vermeld als baljuw van Schieland, en in 1404 erkende graaf Aelbrecht aan hem 6.046 ponden en 4 schellingen schuldig te zijn. Willem en zijn zoon Gillis III werden in juli 1405 nog opgeroepen om de Arkelse sloten Everstein en Hagestein te belegeren, maar op 12 mei 1406 werd zijn zoon beleend met Zuidwijk zodat Willem dan zal zijn overleden.

VI. Ogier V van Cralingen (genoemd in 1342-1395, geb. 1334, overl. vóór 4 september 1397), tr. Sellaerne

Ogier V verkreeg op 28 februari 1342 het oosteinde van Sluipwijk en de Stormpolder in leen en droeg deze lenen in achterleen over aan zijn jongere broer Willem I. Voor de nog onmondige broers zegelden hun grootvader Arnoud van Hodenpijl, hun ooms Dirk II van Cralingen en Jan Dircksz. van Hodenpijl en hun neef Philips van der Spangen. Op 3 augustus 1345 werd Ogier beleend met het huis Crooswijk.Ogier sloot zich op 5 september 1350 aan bij het Hoekse verbond en werd vervolgens door Graaf Willem V verbannen. Op 2 januari 1355 werd hem amnestie verleend en krijgt hij zijn verbeurde goederen terug.Op 6 februari 1355 kreeg hij toestemming van Graaf Willem V om een welgeboren man als rechter aan te stellen in zijn ambacht IJsselmonde. Als Graaf Willem V op 15 mei 1357 belooft de vrede te bewaren tussen Vlaanderen en Brabant is Ogier hierbij als getuige aanwezig.Op 8 oktober 1358 lijftochtte hij zijn echtgenote Jonkvrouwe Sallaerne met 60 pond Hollands. Craandijk vermeld dat deze Sallaerne, Salerne van Haernen zou zijn. Hier wordt nu aan getwijfeld. In 1410 wordt Ogiers neef Daniël I van Cralingen, zoon van Willem I van Cralingen beleend met het “dorp ter Uterbuert mit alle sijne toebehooren”. Hierin staat vermeld “dits Daniel voorschreven verlijt en bij ware als mannen Joncheer Willem die heer van Saers (= Salerne) Gijsbrecht Hen(dricxsz.) Anno XIIIIC en X op Sinte Petrus avont ad cathedram”. Dat de heer van Salerne getuige is voor Daniël van Cralingen, duidt wellicht op een verwantschap, en mogelijk een connectie met de vrouw van Ogier.Ogier werd in 1361 aangesteld als ambachtsheer van Schie en in 1361/1362 als baljuw van Delfland en Schieland. Op 5 mei 1361 werd Ogier als baljuw van Delfland en Schieland ter dagvaart opgeroepen en op 13 december 1361 treedt Ogier op als getuige bij de huwelijksgift van Dirk van Brederode aan diens zoon Walraven.

Hij schaarde zich op 5 september 1350 en op 23 november 1361 aan de zijde van Keizerin Margaretha.

Op 31 mei 1364 verdeelden Ogier en zijn broer Willem I de goederen die zij hadden geërfd van hun ouders en van hun grootvader Arnoud van Hodenpijl. Ogier werd hier nog als knape aangeduid terwijl zijn jongere broer Willem al als ridder werd aangeduid. Ogier kreeg als oudste zoon het ambacht Kralingen en het Huis Honingen met al haar toebehoren. Ook kreeg hij de goederen in het ambacht Kralingen en in Overschie. Tevens ontving hij de goederen in het baljuwschap van Schieland uit de erfenis van zijn nicht Meijne van de Doortoghe. Als tegenprestatie nam hij verschillende verplichtingen op zich waaronder het betalen van enige renten. Ogier verkreeg ook het ambacht van Oost-IJsselmonde in leen.

Op 15 september 1370 schonken Willem en Ogier aan hun nicht Sophie van der Spangen de rente van 40 schellingen die zij hadden ge”erfd van hun tante Aleid van Cralingenen die deze in lijftocht had van hun oom (lees: oudoom) Jan van Sassenheim; ook gaven zij aan Sophie hun aandeel in een rente van 1 pond op het land dat Jan van Sassenheim als lijfrente aan Sophie had geschonken.

Ogier was in 1361 en 1366 baljuw van Kennemerland en West-Friesland en tussen 1383 en 1385 ook rentmeester aldaar. Hij had in de periode 1368-1372 jaarlijks recht op enkele grafelijke reigers. Ogier droeg in 1383 “sijn huis tot Cralinghen, van ouden tiden Honinge plach te hieten” op aan Margaretha van Beieren, dit onder protest van het kapittel in Brielle, waaraan zijn grootvader Ogier III in 1318 het slot Honingen immers al had opgedragen. Op 10 juli 1385 kreeg Ogier goederen en tienden in zijn ambacht Hogenban van de abt van Agmond in leen en werd bij die gelegenheid als “armiger”  (ridder) aangeduid. Ogier was in zijn latere levensjaren nogal eigengereid, zoals bleek uit de betwiste transactie met slot Honingen. Ogier beviste sluizen tegen de wens van de graaf in en vervoerde goederen langs tollen zonder tol te willen betalen. Zelfs had Ogier de euvele moed om een schenking van het goed Ter Hoeke in Wateringen door Graaf Albrecht aan diens “amije” Aleid van Poelgeest te betwisten. Ogier was voor deze zaken in Zierikzee ter gijzeling gedaagd, maar niet verschenen, zodat Graaf Albrecht op 27 maart 1390 het aan zijn zoon Willem van Oostervant overliet Ogier te berechten.

In 1391 verkocht Ogier een perceel grond aan de stad Delft ten behoeven van het graven van de Delftse Schie. Na de moord op Aleid van Poelgeest en Willem Cuser had Graaf Albrecht kennelijk belangrijker zaken aan zijn hoofd, want in 1393 was Ogier weer met hem verzoend.

Op 28 januari 1394 ontving Ogier van Graaf Albrecht een perceel grond terug dat Ogier eerder als huwelijksgoed aan zijn dochter Gillisje had gegeven bij haar huwelijk met Dirk van de Lek. De reden voor de teruggave was dat niemand meer zorg droeg voor de bedijking, waarschijnlijk omdat Dirk van de Lek vanwege zijn betrokkenheid bij de moord op Aleid van Poelgeest. Op 12 november 1395 hebben Ogier, zijn broer Willem en Philips van der Spangen goederen afkomstig van Jan van Sassenheim en Jan van Schie verkocht aan Dirk van Zwieten, die dan als zwager van Ogier wordt aangeduid, waarschijnlijk vanwege vanwege het huwelijk van Ogiers neef Gillis III met Dirks dochter Meijne.

Dat Ogier overleed vóór 4 september 1397 blijkt uit het gegeven dat de abt van Egmond op die datum zijn rechte lenen, die door ontbreken van een wettige zoon aan de abdij waren teruggevallen, aan Ogiers schoonzoon Dirk van de Lek in leen gaf. Enige maanden later werd Ogiers erfenis verdeeld.

In het wapenboek Gelre is het wapen afgebeeld van een “Rogier van Cralingen” als een rode achtpuntige ster op een geel veld. Gezien de datering van dit wapenboek heeft dit waarschijnlijk betrekking op Ogier V. Dezelfde afbeelding is in het wapenboek Bellenville opgenomen en toegeschreven aan een ongenoemde Van Cralingen.

kinderen (uit dit huwelijk):
1. Gillisje van Cralingen, volg VII.
2. Elburg van Cralingen (genoemd 1392, 1397, geb. 1358, overl. ná ) 8 juli 1401, tr. Arent V van Duivenvoorde, zoon van Arent IV van Duivenvoorde en Sophie Bogge.
In 1392 zond de Graaf een brief aan haar vader Ogier V over een geschil met zijn schoonzoon, zodat het huwelijk daarvoor moet hebben plaatsgevonden. Elburg kreeg na de dood van haar vader in 1397 de Hogenbanse Starrenburg in vrij eigendom, waarmee deze in het bezit van het geslacht Van Duivenvoorde kwam. Deze tak van de Van Duivenvoordes ging zich in de zeventiende eeuw naar dit bezit Wassenaer van Starrenburg noemen. De verdeling van de erfenis met haar zus Gillisje verliep overigens niet zonder problemen.
3. Roelof, Bastaard van Cralingen (genoemd 1399)
In 1399 bij de verdeling van zijn erfenis na zijn overlijden, wordt hij “Roelof, bastaard van Cralingen, in ’s graven dienst gestorven”, genoemd
4. Onbekende bastaarddochter
VII. Gillisje van Cralingen (genoemd 1398-1407, geb. 18-12-1355, overl. 19-8-1412), tr. Dirk van de(r) Lek, geb. 10-4-1355, overl. 29-4-1419, zoon van Jan II (Janszoon) van Polanen en Machteld Jansdr. van Brabant.

Gillisje erfde van haar vader in 1398 de ambachten Cralingen en Honingen, het kasteel Honingen en de Stormpolder. Ook kreeg zij Oost-IJsselmonde in leen van Arnout van Egmond, die haar vader Ogier V bij die gelegenheid zijn neef noemde.

17-10-1398: “Philips van Polanen en Wouter van Mathenesse, ridders, als overlieden, Willem van Cralingen en Dirck Hodenpijl, ridders, Jan de Wit, priester en Philips Arensz. van Dam, knape, doen uitspraak tussen heer Dirc van der Lecke met zijn vrouw enerzijds en de heer Aernt van Duvenvoirde met zijn vrouw anderzijds over de nalatenschap van de ouders der beide vrouwen, nl. van Oedzier van Cralingen en zijn vrouw. Zij bepalen o.a. dat zij delen het drie vierde deel van de korentiende en de helft van de smaltienden van het ambacht Cralinghen, die jonkvrouwe Badeloghe van Cralinghen en haar beide zoons tot hun lijven gepacht hebben. Heer Dirc zal behouden het vierde kwart van de korientienden en de andere helft van de smaltienden en de korentienden van het nieuwenlande in leen van de abt (Rijksarchief Utrecht, bibliotheek van handschriften inv.nr. 357 fol. 41).”

In 1399 verkreeg Gillisje de St. Paulustienden en nog goederen die haar broer Roelof, bastaard van Cralingen, “in ’s graven dienst gestorven”, had nagelaten.

9-4-1399: “De echtgenote van heer Dirc van der Lecke”.

Omstreeks 1407 werd zij genoemd als één van de “magen” van vermoorde Willem Cuser. De hier bedoelde verwantschap waarschijnlijk via Dirk Va van Zwieten, zoon van Meijne Cuser; hij werd als eerste maag vermeld. Ondanks de verbanning van Dirk van de Lek kwamen uit het huwelijk toch nog twee kinderen voort Jan en Machteld. Jan van de Lek erfde de hierboven genoemde bezittingen en gaf deze door aan zijn zoon Adriaen van de Lek, getrouwd met Catharina van Assendelft. Uit dit huwelijk kwamen geen zoons voort, maar wel een dochter Gillisje die huwde met Floris van de Kijfhoek. Hieruit kwam Aleid van der Kijfhoek voort, die in 1472 bij de dood van haar vader twee jarebn oud was, in 1484 op veertienjarige leeftijd weduwe was van Jan van Assendelft en in 1493 hertrouwde met Klaas van Assendelft. Aleid ontving in 1485 de ambachten Cralingen en Hogenban en het slot Honingen van haar moeder, waarmee de belangrijkste voorouderlijke bezittingen van het geslacht van Cralingen in het bezit van het geslacht Van Assendelft kwamen.

 

kinderen uit dit huwelijk:
1. Jan van de Lek (geb. 14-3-1390, overl. 10-5-1470 (ook Heinenoord 1472 wordt genoemd als overlijden van Jan)

Heer van Castricum, Kronenburg, Oud-Haarlem en Honingen

2. Machteld van de Lek (geb. 1390, overl. 10-10-1430)

Machteld werd in 1416 en 1430 getocht. Zij huwt Arend van Gendt, geb. Wassenaar 1390, overl. 14 mei 1455, zoon van Willem III van Gendt en Agnes van Doorninck.

 

Bronnen:

  1. J. Lois, “Cronycke ofte korte waere beschrijvinge der stad Rotterdam, beginnende van den jaere 1270 tot den jaere 1671, verrijkt met de voornaemste hantvesten en previlegien”, Den Haag/Delft 1746.
  2. P.S.C. van der Plas, “Het geslacht Van Voorschoten, later geheten Van Cralingen: opkomst, bloei en neergang“, De Nederlandsche Leeuw 2013 (19-49).
  3. A. Janse, “Ridderschap in Holland, portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen“, Hilversum 2001.
  4. J. Belonje, “Van Cralingen“, De Nederlandsche Leeuw 1943 (blz. 17-24).
  5. J.G.N. Renaud, “Starrenburg“, Rotterdams Jaarboekje 1943 (blz. 213-233).
  6. W.A. Beelaerts van Blokland in Tijdschrift voor Geschiedenis 49,  1934 (blz. 242).
  7. J. Craandijk, “Bijdrage tot de geschiedenis van de ambachtsheerlijkheid Cralingen en het slot Honingen, benevens genealogische aantekeningen betreffende hun bezittingen“, Rotterdamsche Historiebladen, 2e afdeling, 1e deel, Rotterdam 1876 (blz. 549-592).
  8. J. Craandijk, “De ambachtsheerlijkheid Cralingen en het slot Honingen onder de Heeren Van der Lecke“, Rotterdamsche Historiebladen, 3e afdeling, 1e deel, Rotterdam 1880 (blz. 496-517).
  9. J. Craandijk, “Iets over het geslacht Van Cralingen“, Rotterdams Jaarboekje 1890 (blz. 71-101).
  10. W.M.C. Regt, diverse lemma’s over leden van de familie Van Cralingen, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, digitaal beschikbaar via: biografisch portaal
  11. C. Hoek, “het Huis te Crooswyk“, Ons Voorgeslacht 1963 (blz. 301-310).
  12. C. Hoek, “Rotterdamkse geslachten in de late middeleeuwen“, De Nederlandsche Leeuw 1990 (blz. 316).
  13. W. Kraal, “De relatie tussen de familie Van Cralingen en de familie Van der Loet in de 15e eeuw in Rotterdam“, Rotterdams Jaarboekje 1995 (blz. 151-159).
  14. W.Kraal, “Een vijftiende-eeuws familienetwerk verder ontrafeld“, Rotterdams Jaarboekje 1997 (blz. 147-151).
  15. A.C.F. Koch, “Oorkondeboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel 1“, Den Haag 1970.
  16. J.G. Kruisheer, “Oorkondeboek Holland en Zeeland tot 1299, deel 2“, Assen/Maastricht 1986.
  17. J.G. Kruisheer, “Oorkondeboek Holland en Zeeland tot 1299, deel 3″, Assen/Maastricht 1992.
  18. J.G. Kruisheer, “Oorkondeboek Holland en Zeeland tot 1299, deel 4“, Assen/Maastricht 1997.
  19. E.C. Dijkhof, “Oorkondeboek Holland en Zeeland tot 1299, deel 5“, Den Haag 2005.
  20. C. Hoek, “Repertorium op de lenen van de hofstad Egmond, in Delfland, Schieland, Putten en IJsselmonde“, Ons Voorgeslacht 1976 (blz. 85-117).
  21. J.C. Kort, “Repertorium op de lenen op de hofstede Putten, 1229-1650“, Ons Voorgeslacht 1979 (blz. 125-184).
  22. C.Hoek, “Repertorium op de lenen van de Lek en Polanen, gelegen in Delfland, Schieland, op het eiland IJsselmonde en in de Lek (13e eeuw-1650)“, Ons Voorgeslacht 1982 (blz. 129-189, 193-246).
  23. H.F.K. van Nierop, “Van Ridders tot regenten: de Hollandse adel in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw“, Amsterdam 1990.
  24. H. Obreen, “Bijdragen tot de kennis der middeleeuwse geslachten van Holland en Zeeland. De Heeren van Putten en van Strijen“, De Nederlandsche Leeuw 1932 (blz. 291-300, 322-328, 366-372).
  25. G.J. van Gelder, “Het riddermatige geslacht Van Wendelnesse uit de Grote of Zuidhollandse Waard: een onderzoek naar de herkomst van het Dordtse patriciërsgeslacht Oem“, De Nederlandsche Leeuw 2009 (blz. 114).
  26. S.S. van Leeuwen, “Batavia Illustrata“, Den Haag 1685
  27. F. van Mieris, “Groot Charterboek der graven van Holland, van Zeeland en Heeren van Vriesland“, 4 delen, Leiden 1753.
  28. L.J. van der Klooster, “De oude hofstede te Sassenheim en haar bewoners“, De Nederlandsche Leeuw 1959 (blz. 455-456).
  29. J.G.B. Nieuwenhuis, “Inventaris der archieven van de voormalige gemeente IJsselmonde en de Ambachtsheerlijkheden Oost- & West-IJsselmonde en Lombardijen, 1435-1941“, Rotterdam 1979.

Ontworpen door Henk Kuiper Webs