André van Duin

André van Duin

Een bekende RotterdammerT: André van Duin

door Marcel Verhoef

Oorspronkelijk gepubliceerd in Streekarchief Eiland IJsselmonde Kwartaalbericht Herfst 2019 (jaargang 34, nummer 3)

Jeugd

Op 20 februari 1947 wordt in de Watergeusstraat in het Rotterdamse Delfshaven Adrianus Marinus Kyvon geboren. Hij is het eerste en enige kind van Adrianus Kyvon en Henriëtte Wielders. Zijn roepnaam is Adri, al zal hij vanaf zijn vijftiende als André van Duin door het leven gaan, de artiestennaam die hij zelf kiest wanneer hij in september 1962 een aantal televisieomroepen aanschrijft om als beginnend conferencier een proeve van bekwaamheid te mogen afleggen.

Vader Kyvon is magazijnbediende bij de Rotterdamse Droogdok Maatschappij, moeder Kyvon is huisvrouw. Ze waren een arbeidersgezin, niet arm en niet rijk. “M’n vader heeft zich z’n hele leven het lazarus gewerkt. ‘s Morgens om zeven uur op, de zaak kwam voor alles”.

Van Duin heeft goede herinneringen aan de zomers uit zijn jeugd: “Als ik vakantie had, kreeg ik van mijn moeder een oude deken, en die spreidde ik dan uit over het hele trottoir en dan maakten we van een Solex een Berini en van een Berini een Solex. Ook radio’s repareerde ik. Meestal hield ik aan het einde van de dag wel een derde aan materiaal over, maar de Solex reed en op de radio ontving ik Luxemburg. Met een paar vriendjes reed ik ook altijd naar Hoek van Holland. Eerst op de fiets, later op de brommer. Mijn ouders hadden in de Hoek een huisje, op het nieuwe kamp. Voor het milieu waaruit ik kom, was Hoek van Holland het Saint-Tropez van Zuid-Holland.”

Volgens zijn moeder was hij een makkelijk kind: “Hij was zo’n rustig kind. Nooit druk of vervelend. Hij zat hier altijd met autootjes te spelen of hij was met z’n blokfluit bezig. En altijd maar dromen van dat ie artiest wou worden”. Al toen hij tien jaar was, wist Van Duin dat hij homoseksueel was, “Ik keek alleen naar jongens, niet naar meisjes”. Zijn ouders hebben er nooit een probleem van gemaakt. “Het was geen onderwerp van gesprek”.

“Ik heb bovenste beste ouders gehad, maar ik ben wel erg verwend thuis. Echt enig kind. Ik kreeg ook alle aandacht, en ik heb me daar nooit tegen verzet. Het was wel erg prettig, vond ik. Aan de andere kant heb ik er ook geen misbruik van gemaakt. Onhandelbaar was ik niet, beslist niet. Ik haalde heet water bij de waterstoker, ik plakte alle fietsbanden, de echte zware klussen waren voor Dré. Alleen als m’n moeder niet gauw genoeg de deur opendeed, zette ik m’n gat tegen de deur – ik zie het me nog doen – en dan bonsde en jengelde ik net zolang totdat de buurvrouw opentrok. Ik moest wél op m’n wenken bediend worden”.

“M’n moeder poetste ook altijd m’n schoenen. Dat vond ik heel vanzelfsprekend. Dat is niet zo, maar ik was niet anders gewend. Als ze het een keer vergeten was – maar zelfs dat kan ik me eigenlijk niet herinneren – dan was ik zéér verbaasd. Zeg, Jet, hoe zit dat, m’n schoenen zijn niet gepoetst. Niet dat ik in m’n wiek geschoten was, maar ik was helemaal verbouwereerd, zo van: dat kan toch niet. In dat opzicht ben ik een beetje verziekt ja. Ik ga er nog steeds van uit dat alles achter m’n kont geregeld wordt.”

Aan school had hij een bloedhekel, dat wil zeggen, aan de lessen. Hij heeft er wel een gezellige tijd gehad. “Ik ben een keer blijven zitten in de derde, het enige waar ik goed in was, was tekenen, verder niks, dat kun je nou nog wel aan me horen. Veel opleiding heb ik ook niet gehad. Alle jongens uit de klas gingen naar de ambachtsschool, ik dus ook, wat moest je anders. Daar heb ik geleerd voor machinebankwerker. Goed was ik niet, ik kon niet vijlen, recht vijlen dan. Maar ja, je moest toch wat doen. Voor artiest kon je niet leren. En ik wilde artiest worden, altijd al.”

Toch was hij geen opvallend, aandachttrekkend kind, in elk geval niet tussen zijn ‘optredens’ door. Hij was dan eerder rustig en soms een beetje teruggetrokken. Het liefst zat hij op zijn zolderkamer naar artiesten op de radio te luisteren: Wim Sonneveld als Willem Parel, Snip & Snap en de programma’s Showboat en De Bonte Dinsdagavondtrein. “Ik was geloof ik de enige die luisterde, want de andere kinderen hadden daar nooit iets over te vertellen. Ik onthield de grappen en als er dan een schoolavondje was of een bruiloft, vertelde ik ze na. Mijn vader vond het allemaal prachtig, mijn moeder kon het niets schelen, die heeft er nooit zo in geloofd. Als iemand nu zegt: ‘Je zoon was leuk’, is ze heel verbaasd. Zo van: ‘Natuurlijk is die jongen leuk’. Dat is toch heel logisch, dat domme werk van die jongen…”

Op zijn zolderkamer maakte hij ook opnames met de bandrecorder die hij van zijn ouders had gekregen. Die opnames monteerde hij later op een slimme en komische manier aan elkaar. “En zo ben ik de boer op gegaan. Gratis voorstellingen in bejaardentehuizen, ziekenhuizen en zo. Ik had een kaartje: André van Duin, amateur. Voor al uw voorstellingen. Dat sloeg nergens op natuurlijk, want ik had alleen dat bandje maar.”

Beginnend artiest

In 1964 doet André van Duin mee aan de talentenjacht Nieuwe Oogst, georganiseerd door de AVRO. Met zijn bandparodie-act wordt hij de winnaar van de landelijke finale die op 24 juni op de televisie wordt uitgezonden. Zijn televisiedebuut wordt juichend ontvangen en alle kranten schrijven erover. De aanvragen voor optredens stromen uit het hele land binnen en twee dagen na de uitzending zegt Van Duin zijn baan in de drukkerij, waar hij dan werkzaam is, op en is officieel beroepsartiest. Het aantal aanvragen voor optredens was zo groot, dat hij Theo Rekkers en Huug Kok vroeg of zij zijn management zouden willen doen. “Voor ons, als artiesten, was dat een moeilijke vraag. Zoiets deed je eigenlijk niet, daar had je een bureau voor. Omdat we zagen dat we ook niet altijd konden blijven optreden zijn we uiteindelijk, met het oog op de toekomst, toch een  eigen bureautje begonnen.” (…) Toen we besloten voor André te gaan werken, moesten we natuurlijk wel eerst kennismaken met zijn ouders. Dat bleken mensen te zijn uit een eenvoudig arbeidersmilieu. Die hadden hem als enig kind wel een beetje verwend. Hij had thuis alle aandacht en kreeg daar ook alles gedaan. Toen wij daar binnenkwamen als die twee jongens die ze kenden van de televisie, die hun zoon in een heel andere onbekende wereld zouden brengen, maakten ze zich dan ook nogal wat zorgen. Uiteindelijk gingen ze akkoord. Op dat moment voelde je werkelijk dat ze daarmee echt hun kind aan ons toevertrouwden. Vooral zijn moeder vond het erg moeilijk om hem, hun enige kind, los te laten.”

Via het artiestenmanagement van Rekkers en Kok werd André van Duin, als bandparodist en grappenmaker, de hit van het Nederlandse schnabbelcircuit. Hij trad op in kleine theaters, buurthuizen en feestzalen. Ook mocht hij zo nu en dan op televisie optreden, als gast in de shows van bijvoorbeeld Willy en Willeke Alberti, De Mounties en Rudi Carell. “Toen ik in 1964 met mijn bandrecordertje op pad ging, was er nog maar één televisienet. Dus als ik optrad, keek iedereen. En ook het schnabbelcircuit was natuurlijk belangrijk. Als je een nummertje had, dan kon je dat overal in het land rustig uitvoeren. Je kon jezelf een beetje ontwikkelen, zo’n act uitbouwen, grapje hier, grapje daar. ” Het schnabbelcircuit was bovendien een ideale leerschool, wanneer je het feestende publiek kon boeien, kwam je niet snel meer voor verrassingen te staan. Zelfs het jonge publiek dat bij een optreden van de Rolling Stones op 8 augustus 1964 de zaal in het Scheveningse Kurhaus letterlijk afbrak, had Van Duin in het voorprogramma stil weten te krijgen en te boeien. Samen met De Mounties en Het Cocktail Trio behoort André van Duin in het seizoen 1967-1968 tot de meest gevraagde artiesten in het schnabbelcircuit. In1965 mocht hij bij Phonogram ook zijn eerste plaatje maken: ‘Hé, hé, ik heet André’.

Volkskomiek

In 1969 kan niemand meer om de artiest André van Duin heen. Op de televisie zijn bij de AVRO twee programma’s te zien die zijn naam dragen: Een avondje teevee met André en De André van Duin Show. Het eerste programma wordt geregisseerd door Guus Verstraete Jr., die later Van Duin’s ‘vaste’ televisieregisseur zal worden. In het theater gaat eind 1969 de revue ‘n Lach in de ruimte in première, met Frans van Dusschoten als middelpunt en André van Duin, Ria Valk, het diaboloduo Gino en Gina Manelli en Gino en Francesco met hun vliegende schotelsact ernaast. “Toen Joop van den Ende met het idee kwam om een revue te beginnen, kreeg ik een prachtige kans om mij verder te bekwamen. Tot die tijd had ik nooit sketches gedaan, maar in zo’n revue pak je van alles aan.”

In september 1977 overlijdt geheel onverwacht André’s vader op zesenzestigjarige leeftijd. André krijgt het nieuws van zijn manager Theo Rekkers te horen als hij in Dierenpark Wassenaar televisieopnames aan het maken is. Hij is totaal verslagen en niet in staat om op dat moment nog verder te werken. Ook de revue die die avond gespeeld zou worden, wordt afgelast. Als hommage aan zijn vader schrijft hij het lied Mijn allergrootste fan, dat altijd op zijn repertoire is blijven staan. Van Duin was dol op zijn vader en moeder, ze kwamen naar elke première en hij maakte regelmatig uitstapjes met hen. Vader Van Duin was twee jaar voor zijn overlijden met pensioen gegaan en André had zijn ouders bij die gelegenheid een volkstuin met huisje cadeau gedaan. Ze waren er erg blij mee. “Het is zo’n lieve jongen. Zonder er woorden over vuil te maken, zorgt hij voor zo’n huisje, met radio en TV, en een volkstuin. Die dingen doet-ie gewoon.” Zijn vader was apetrots op zijn beroemde zoon. “Als hij ergens op visite was, liet hij wel eens toevallig een foto uit zijn zak vallen. Als iemand hem dan oppakte en zei: “O, dat is André van Duin”, zei zijn vader: “Ja, dat is mijn zoon.”

In oktober 1977 kondigt Van Duin zijn besluit aan om voorlopig te stoppen met zijn theaterrevues om zich op de toekomst te bezinnen en zich op zijn film- en televisiewerk te focussen. Want naast alle activiteiten in het theater, op de plaat, televisie en radio hebben Van Duin en Van den Ende zich ook aan het medium film gewaagd. Samen zullen ze drie bioscoopfilms uitbrengen. Alle verschillende media en vertoningsvormen versterken elkaar en doen André van Duin’s populariteit tot grote hoogte stijgen en hij weet op alle fronten te blijven scoren. Elke nieuwe show, in het theater en op televisie, elk nieuw televisieprogramma, elke nieuwe plaat en natuurlijk de Dik Voormekaarshow op de radio, Van Duin is eigenlijk altijd succesvol. Al decennia lang is hij Nederlands grootste maar ook enige volkskomiek. Collega Ferry de Groot, die met hem alle Dik Voormekaar Shows maakte en nog steeds maakt, vat het treffend samen: “André heeft in alle eenvoud een glanzende carrière.”

Geheim van het succes

Over het geheim van zijn succes hebben al velen zich gebogen. Natuurlijk heeft het te maken met zijn talent voor timing, het feit dat hij zich altijd weer weet te vernieuwen en zijn vermogen om de expressie van zijn gezicht tot in het kleinste spiertje te beheersen. Volgens eigen zeggen heeft hij gewoon een geinig hoofd, en “zonder geinig hoofd geen volkskomiek.” Ook zijn rode haar helpt mee: “Een clown moet nu eenmaal rood haar hebben. Da’s de wet”. Maar waar het nu precies aan ligt, waarom hij mensen in hun broek kan laten plassen van het lachen, het blijft een geheim. “Ik vind het zelf ook een zeer vreemd verschijnsel.” Hij weet het zelf ook niet, al kan het te maken hebben met het feit dat hij nooit geëngageerd heeft willen zijn. “Alsjeblieft zeg, gewoon een avond lekker lachen, over en sluiten maar.” Precies wil hij het ook niet weten. “Als iemand op een dag met de perfecte verklaring komt, betekent dat het einde: dan ga je daarop werken, dan forceer je het, en dan raak je het kwijt. Dat heb ik ook met grappen. Soms vertel ik iets waar vreselijk hard om wordt gelachen en dan denk ik: mensenmensenmensen waarom nou toch, wat is hier in hemelsnaam léuk aan? Als ze dat gaan uitleggen ga ik er teveel op letten, en dan lukt het niet meer. Een grap uit elkaar halen is een grap slopen.”

Actueel

Intussen zit van Duin al meer dan vijftig jaar in het vak. Na zijn eerste stappen op het toneel als bandpariodist en na zijn revueshows, zijn optredens als radiomaker, als filmacteur, als zanger en als presentator, maakt André tegenwoordig furore met de succesvolle televisieprogramma’s “Heel Holland Bakt” en “Denkend aan Holland”, die hij beide met Jannie van der Heijden presenteert.

Bronnen:

  • Vrij Nederland, 22 december 1979
  • Panaroma, kerstnummer 1979
  • Libelle, 25 mei 1976
  • Volkskrant Magazine, 25 oktober 2008
  • Elsevier Magazine, 4 augustus 1979
  • Haarlems Dagblad, 30 december 1992
  • NRC-Handelsblad, 31 maart 1991
  • Nieuws van de Dag, 13 september 1977

Kwartierstaat:

Klik voor een grotere weergave

Ontworpen door Henk Kuiper Webs

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op "toestaan cookies" om u de beste surfervaring mogelijk te maken. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten