Portal Stadsarchief, collectie IJsselmonde

Uw zoekacties:
x14 Archieven van de polders onder de gemeente IJsselmonde ( Stadsarchief Rotterdam )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

14 Archieven van de polders onder de gemeente IJsselmonde ( Stadsarchief Rotterdam )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
14 Archieven van de polders onder de gemeente IJsselmonde
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Titel:
Geschiedenis van de archiefvormer
Organisatie: Stadsarchief Rotterdam
De Riederwaard
Vóór 1164 *  . maakte het gebied van de latere ambachten Oost-Katendrecht, IJsselmonde en Riederambacht deel uit van de noordelijke oever van de Waal; de Nieuwe Maas bestond in deze tijd nog niet.
Lek en Hollandse IJssel stroomden via de Waal tussen Oostendam en Heerjansdam naar de Maas bij Poortugaal. Volgens de hypothese van C. Hoek *  . zou een grote watersnoodramp in 1164 het gehele gebied grondig hebben gewijzigd. Van het westen uit brak het zeewater door naar de Stormpolder, waarna Lek- en IJsselwater langs de nieuw gevormde Nieuwe Maas afstroomde, wat tot gevolg had dat IJsselmonde op de zuidoever kwam te liggen.
Het eiland IJsselmonde werd in die tijd de Riederwaard genoemd. In een akte van 5 november 1214 *  . betrekking hebbend op het huwelijksverdrag tussen Floris, zoon van graaf Willem van Holland, en Machteld, dochter van hertog Hendrik van Brabant komt dit gebied voor het eerst voor onder de naam van Rederweert.
In deze Riederwaard bevond zich een aantal ambachten of heerlijkheden zoals Oost- en West-IJsselmonde, Riederambacht of Ridderkerk, Oost- en West-Barendrecht, Oost- en West-Katendrecht, Carnisse, Pendrecht en Rhoon. * 
Regelmatig werd dit gebied geteisterd door rivieroverstromingen en stormvloeden, o.a. in 1287/88 waarbij een stormvloed dijkbreuken veroorzaakte. Rivieroverstromingen worden in West-Europa vóór 1214 niet vermeld, wat niet wil zeggen dat ze niet optraden. Rechtstreekse mededelingen betreffende rivieroverstromingen in Nederland bezitten wij vóór het jaar 1281. *  . niet.
Op 2 februari 1373 brak de Riederwaard in door rivieroverstroming, gevolgd door overstromingen op 6 januari en 18 februari 1374 en een stormvloed op 9 oktober 1374. Na de schade, hie hierdoor was aangericht, kreeg de waard de genadeslag bij de stormvloed van 8/10 oktober 1375. Tengevolge van deze stormvloed raakten voor langere tijd overstroomd: Ridderkerk, Donkersloot, Pendrecht, Rhoon en Strienemonde, benevens 's-Gravenambacht en Katendrecht. De oorzaak zou de onachtzaamheid geweest zijn, waarmee in Holland, Zeeland en Putten de moer- en zoutnering werd uitgeoefend. * 
De ramp van 1375 werd het voorspel van de ondergang van de Grote of Zuidhollandse waard in 1421. *  . Hertog Albrecht gaf aan alle ambachtsheren van de Riederwaard bevel aan de bedijking deel te nemen; deden zij dit niet, dan moesten zij van hun rechten afstand doen ten gunste van de landsheer. In 1378 *  . werden de ambachtsheren naar 's-Gravenhage geroepen om met de hertog middelen te beramen voor de bedijking. Ondanks alle goede voornemens bleef de zaak slepen en in 1383 *  . volgt wederom een aantekening dat de graaf te Dordrecht zijn raad zal bijeenroepen om over de Riederwaard te spreken. Er komen slechts plaatselijke herdijkingen tot stand zoals de polder Oud-Reijerwaard in 1403. Het herdijkingsoctrooi voor de Riederwaard werd op 9 december 1403 *  . verleend, maar de uitvoering van dit plan werd echter vertraagd door de stormvloed van 1404. *  . Hierdoor werd aan de reeds aangelegde dijk zware schade aangebracht. Bij de hierop volgende St. Elisabethsvloed van 19 november 1421 werd alles opnieuw overstroomd.
Na de St. Elisabethsvloed lag een groot deel van IJsselmonde onder water of was "rijdende" zoals de vakterm luidde. Op 10 januari 1424 ontbood hertog Jan van Beieren allen, die rechten op het verdronken land meenden te hebben, naar Den Haag om de herdijkingsplannen te bespreken. Van meet of aan horen wij over onenigheden betreffende de herstelwerkzaamheden en grote onwilligheid; en vervolgens over abandon. *  . Voor zover de bevolking niet door verdrinking was omgekomen, zal het verlies van have en goed de meesten arm en machteloos hebben gemaakt, zodat de grondeigenaars niet in staat waren geld uit te geven voor herstel.
De politieke tegenstellingen moeten mede een remmende factor voor doortastend optreden hebben gevormd.
De hulp van de Hollandse steden schijnt slechts traag en aarzelend in beperkte mate te zijn toegezegd, maar nog voordat hiervan iets terecht kon komen, sloeg het noodlot andermaal toe in de vorm van de stormvloed van 18 november 1424. Ter gelegenheid van zijn bezoek aan Dordrecht vaardigde Philips van Bourgondië op 11 november 1425 *  . een oorkonde uit, waarin de hertog op zich nam de kosten te dragen voor de herdijking van het door onwilligen verlaten land. Dordrecht en anderen hadden reeds grote sommen uitgegeven om de verdronken landerijen in de Grote Waard en de Riederwaard terug te winnen, maar deze waren totaal verloren. De hertog beloofde daarom een bedrag van 28000 kronen dat na de beëindiging van de burgeroorlog met Jacoba van Beieren in twee termijnen beschikbaar zou worden gesteld. Het overige Holland zou mede bijdragen om de beloofde som op te brengen; wederkerig zou de waard hulp verlenen als eventueel later elders in Holland dijken moesten worden hersteld. Overigens kwam na de Zoen van Delft in 1428 het beloofde geld niet ter beschikking. Na deze teleurstellende ervaring zal Dordrecht ongetwijfeld verdere stappen hebben
In 1427 *  . stond Philips van Bourgondië aan de bewoners van het nieuwe land van Riederwaard (dit moet de polder Oud-Reijerwaard zijn, die in 1403 werd herdijkt) toe in Dordrecht te vergaderen en nieuwe heemraden te kiezen, in plaats van op de Waaldam, de gebruikelijke vergaderplaats. Klaarblijkelijk waren de vergaderingen te Dordrecht een noodmaatregel, omdat de eigen polder overstroomd lag.
Van een totale herdijking van de Riederwaard kwam niets meer; zelfs de naam ging verloren en leeft nog slechts voort in de polder Oud- en Nieuw-Reijerwaard. Slechts gedeeltelijke herdijkingen hadden succes; zo werden achtereenvolgens de polders van Oost- en West-IJsselmonde in de periode 1436-1600 ingedijkt.
Oost-IJsselmonde
Op 5 december 1435 *  . wordt aan Hugo van Lannoy, heer van Santes en Beaumont, door hertog Philips van Bourgondië octrooi verleend voor de bedijking van Oost-IJsselmonde. Lannoy had het Oostambacht gekocht van Jan van der Lecke, wiens vader gehuwd was met de dochter van Ogier van Cralingen; vandaar de naam Ogiersambacht. *  . Het octrooi hield onder meer in, dat de nieuwe ambachtsheer een dijkgraaf en twee heemraden mocht aanstellen. Het is mogelijk dat de bedijking in twee fasen heeft plaats gevonden, want de polder bestaat uit twee delen: het Oudeland en het Nieuweland, van elkaar gescheiden door het Kerkedijkje. Het Nieuweland zou dan omstreeks 1440 bedijkt kunnen zijn. Er treden in deze tijd twee ambachtsheren op: Hugo van Lannoy en Godschalck Oem, heer van Wijngaerden. * 
Op 26 juli 1441 *  . wordt een overeenkomst gesloten tussen Godschalck Oem met een deel van de geërfden uit het Oostambacht van IJsselmonde en dijkgraaf met hoogheemraden van Riederambacht over het aanhechten van de nieuwe dijk van Riederambacht aan de dijk van IJsselmonde bij Bolnes. Op 25 oktober 1441 *  . sluiten beide ambachtsheren van Oost-IJsselmonde een overeenkomst, waarin zij de door hun ingedijkte landen verdelen.
Op 10 april 1446 *  . breekt de Hordijk van IJsselmonde en Riederambacht in na een stormvloed, die het gehele Nederlandse kustgebied teisterde, waarbij beide polders onderliepen. De ingelanden van IJsselmonde, die in verhouding tot de oppervlakte zeer grote dijkkavels moesten onderhouden, waren niet in staat voldoende zorg te dragen voor de veiligheid van het land en het herstel van de Hordijk. Daarom werd door bemiddeling van de stad Dordrecht op 21 mei 1446 *  . een overeenkomst gesloten tussen de wederzijdse ambachtsheren, dijkbesturen en ingelanden van Oost-IJsselmonde en Riederwaard, waarbij men overeen kwam gezamenlijk de Hordijk te leggen en over de landen van beide ambachten één schouw te drijven door een college van heemraden, waarvoor Riederambacht jaarlijks vijf en IJsselmonde twee heemraden zou kiezen. Riederambacht zou 200 roeden van de Hordijk onderhouden, behalve de 51 roeden vóór het ambacht, die het reeds toegedijkt had. Voorts zou ieder ambacht zijn eigen dijk onderhouden, terwijl de wielen, die in de dijk zouden vallen, door beiden zouden worden gedijkt en gelijk bekostigd. De schouw over de 200 roeden zou gedreven worden door beide dijkgraven met de zeven heemraden. De Middeldijk tussen beide ambachten zou door hen half en half gebruikt, verhuurd en zo nodig verhoogd mogen worden. De bedijking had voornamelijk plaats gehad met financiële bijdragen van aanzienlijke inwoners van Dordrecht; een der voorwaarden was dan ook dat een aantal hoogheemraden binnen die stad moest wonen. Bovendien moesten de bewoners van de polders hun koren en zaden uitsluitend in Dordrecht ter markt brengen.
Op 21 november 1446 werd een overeenkomst gesloten tussen Riederambacht, Oost- & West-IJsselmonde en Barendrecht, waarbij een generale orde op de schouw van de gezamenlijke dijken werd gesteld, opdat toekomstige schade zou worden vermeden. * 
Volgens een akte van 1 maart 1450 *  . hadden Riederambacht en IJsselmonde een stuk land van dertien morgen aangekocht met het oog op de verzwaring en verhoging van de Hordijk. Daar na de stormvloed van 1446 reeds een regeling over de dijk was getroffen, schijnt de storm van 1449 aanleiding te zijn geworden voor de verdere versterking van de dijk.
Op 14 september 1459 *  . werd een contract gesloten tussen de polders Nieuw-Reijerwaard en Oost-IJsselmonde enerzijds en Katendrecht, gelegen in de heerlijkheid van Charlois (niet te verwarren met het huidige Katendrecht) en in de heerlijkheid van Ghijsbert van Boeckhorst in het Westambacht van IJsselmonde over de bedijking van het nieuwe land, het leggen van sluizen en de doorwatering naar de Smeetslandse boezem; voorts het recht van aardhaling (tot nu toe hadden Oost-IJsselmonde en Riederwaard aarde uit dit nieuwe land gehaald voor het onderhoud van hun dijken) en de aanstelling van een heemraad, die de eed zal doen aan de dijkgraaf van Riederambacht en Oost-IJsselmonde.
Het beheer van de polder was volgens het contract van 10 april 1446 in handen van een dijkgraaf en twee heemraden. Deze heemraden hadden ook zitting in het college van de zeven gemenelandsheemraden van Oost-IJsselmonde en Riederwaard. Op 22 februari 1609 *  . stelden dijkgraaf en heemraden van Oud- en Nieuw-Reijerwaard voor om het college van gemenelandsheemraden, dat hun te groot scheen en om de kosten te drukken, voortaan te laten versterven op zes personen en wel drie van Nieuw-Reijerwaard (waarvan twee wonende in Dordrecht en een ten plattenlande), twee van Oud-Reijerwaard (waarvan een te Dordrecht en een ten plattenlande) en een van Oost-IJsselmonde (wonende te Dordrecht of ten plattelande). Aangezien dit voorstel voor IJsselmonde nadelig was, werd het op 20 april 1609 verworpen. Men stelde toen voor dat ieder ambacht zijn eigen kosten en vacatiegelden zou betalen. Dit voorstel werd aangenomen en sindsdien bestond het college van dijkgraaf en hoogheemraden uit een dijkgraaf, twee hoog(dijk)heemraden, een secretaris en een waardsman of penningmeester. Het zorgde voor het beheer van de buitendijken met de schouw daarover; verder het maken van keuren en het houden van rechtdagen benevens de zorg over het archief. De rechtdagen werden doorgaans gehouden in de Wijnkoperskapel te Dordrecht. *  .
Daarnaast bestond er nog uitsluitend voor de polder een college van schout en laagheemraden dat zorg droeg voor de wateringen en de molens.
De twee hoogheemraden waren tevens laagheemraden, zodat er in totaal vijf laagheemraden waren.
De grondslag voor hun bevoegdheden vormde de in vereniging met Oud- en Nieuw-Reijerwaard gemaakte Generale Keur van 13 juni 1633 *  . De polder had zijn eigen penningmeester, die door de ingelanden werd benoemd. Op 8 juli 1784 werd de Generale Keur herzien en dit
De bemaling had vroeger plaats door een gang van twee windwatermolens, waarvan de ondermolen op ca. 325 m. ten oosten van de Oostpoldersedijk aan het Kerkdijkje stond, welke uitsloeg op een omkade lage boezem, die zich langs die dijk noordwaarts uitstrekte tot aan de Veenwetering. Aan die wetering stond op ongeveer 200 m. beoosten uit de dijk de boven- of hoge molen, die het water uit de lage in een eveneens omkade hoge boezem opvoerde, welke hoge boezem verder noordwaarts langs de dijk liep tot aan de uitwateringssluis in het dorp IJsselmonde, waardoor het water vrij in de rivier loosde. Deze windbemaling bleek in de tweede helft van de 19e eeuw niet meer aan de behoefte te voldoen, zodat in 1869 een onderzoek werd ingesteld naar een meer doeltreffend middel. Het gevolg hiervan was de stichting van het bovenstoomgemaal in 1869. In 1883 werd een benedenstoomgemaal gebouwd, dat de naam kreeg van "Bichon van IJsselmonde".
In 1921 werd een electrisch ondergemaal gebouwd, terwijl de electrificatie van het bovenstoomgemaal in 1929 plaats vond. De maalkolk lag tussen de hoofdwaterkering en het stoomgemaal en loosde op de Nieuwe Maas door een overwelfde stenen duikersluis.
Inmiddels verloor de polder geleidelijk grond en eigendommen aan de voortwoekerende urbanisatie, welke nog versneld werd door de annexatie van de gemeente IJsselmonde in 1941 door Rotterdam. De inundaties in de oorlog veroorzaakten grote schade; in de periode 1946-1952 volgde echter het herstel en verbetering van de afwatering. De watersnood van 1953 had tot gevolg dat de dijken van het eiland drastisch moesten worden verhoogd. Met de zorg voor de waterkering van het eiland werd belast het bij besluit van de Provinciale Staten van Zuid-Holland van 29 juni 1954 ingestelde waterschap "De Dijkring IJsselmonde".
De taak van dit waterschap omvatte onder meer: de instandhouding van de hoofdwaterkering ter bescherming van het daarbinnen gelegen gebied van het eiland IJsselmonde tegen water buiten dat gebied en het zodanig in waterkerende staat houden van de binnenwaterkeringen, dat deze voortdurend in staat zijn overstromingswater te keren.
Binnen de waterkering kwam een veertiental gereglementeerde polders te liggen, waaronder Oost-IJsselmonde. In 1960 moest wegens de aanleg en bouw van de Van Brienenoordbrug een omvangrijk verkeersplein worden aangelegd op de plaats waar zich het gemaal bevond, waardoor een oplossing voor de bemaling moest worden gezocht. Daartoe werd op 14 november 1961 een bemalingsovereenkomst gesloten tussen de besturen van de polders Oost-IJsselmonde en Oud- en Nieuw-Reijerwaard. Er werd een nieuwe onderbemaling gesticht aan het Bolnesserdijkje en de bemaling vond plaats door de polder Oud- en Nieuw-Reijerwaard via het gemaal te Bolnes. Het gebied ten zuiden en ten westen van de Rijksweg was grotendeels bebouwd en werd bemalen door de gemeente Rotterdam, omvattende 346 ha, zodat aan zuiver poldergebied 204 ha overbleef. In 1972 kwam een ontwerp ter tafel voor een polderconcentratie op het eiland. Bij Statenbesluit van 15 maart 1973 werd de polder Oost-IJsselmonde opgeheven en met ingang van 1 januari 1974 gingen de werkzaamheden en bevoegdheden van de polder over naar het Waterschap IJsselmonde.
Naamlijsten van bestuursleden van de polders onder Oost-IJsselmonde
Dijkgraven en hoogheemraden van het gemeneland van Oost-IJsselmonde
Dijkgraven
Jan Jansz. int Velt; 1609-1612
Pieter Dircxsz. Verschoor; 1612-1618
Pieter Pietersz. van Golen; 1618-1653
Adriaen Pietersz. van Golen; 1653-1654
Adriaen Geerritsz. Boots; 1654-1667
Arij Jansz. Sparreboom; 1668-1679
Leendert Leendertsz. Vrancken; 1679-1680
Cornelis Foppen van Driel; 1681-1687
Jean de Mey; 1687-1689
Cornelis van Lieshout; 1689-1691
Johan van Bijier; 1692-1693
Cornelis van Lieshout; 1693-1715
Hendrik van der Stael; 1715-1746
Jean Bichon; 1747-1807
Marinus Cornelis Bichon van IJsselmonde; 1807-1845
Johan Adriaan Marinus van IJsselmonde; 1845-1858
Hoogheemraden
Harmen Oem; 1609-1612
Pieter Dircxsz. Verschoor; 1609-1613
Pieter Woutersz; 1613-1626
Adriaen Jan Harmansz; 1618-1622
Heindrick Jansz. int Velt; 1619-1655
Adriaen Geerits Boots; 1627-1654
Bastiaen Pietersz. Craennendoncq; 1635-1639
Pieter Leenderts Arijswager; 1635-1661
Cornelis Heindricxsz. van der Houp; 1635-1641
Arijen Jan Ariensz. Sparreboom; 1653-1667
Cornelis Foppen van Driel; 1661-1680
Leendert Leendertsz. Vrancken; 1666-1679
Cornelis Cornelisz. Int Velt; 1681-1683
Leendert Pietersz. Arijswager; 1681-1683
Cornelis Foppen van Driel; 1687-1689
Jan Clemen Ouwens; 1688
Jan Dircxsz. Verschoor; 1688-1689
Hendrik van Lansbergen; 1689-1691
Willem Ariense Oostdijk; 1690-1706
Cornelis van Lieshout; 1692-1693
Pieter Dirxsz. Verschoor; 1694-1706
Jan Hendriksz. Houmes; 1706-1719
Herbert Dammisse van Zijl; 1708-1713
Johannes van Lieshout; 1714-1734
Cornelis Pietersz. de Lijster; 1721-1734
Hendrik Jansz. Houmes; 1725-1730
Pieter de Lijster; 1732-1798
Jean Bichon; 1734-1746
Pieter Tijken; 1747-1764
Anthonij Tijken Pietersz; 1765-1807
Sijmon Huijser; 1807-1825
Adrianus van Driel; 1811
Floris van den Berg; 1817-1819
Leendert de Lijster; 1822-1844
Fop van Driel; 1827-1832
Cornelis Verzeveld; 1833-1853
Cornelis de Lijster; 1845-1858
Simon van Driel; 1854-1858
Schouten en laagheemraden van de polder Oost-IJsselmonde
Schouten
Adriaen Yemansz; 1551-1560
Dirck Dircksz. van Driel; 1560-1563
Adriaen Yemansz; 1563-1566
Cornelis Heinricxsz; 1566-1568
Joris Damasz; 1569-1571
Pieter Pietersz. Cranendonck; 1575-1601
Johan Jansz. int Velt; 1601-1612
Pieter Dircxsz. Verschoor; 1612-1618
Lenaert Jansz. Zoetentijt; 1619-1640
Pieter Pietersz. van Golen; 1640-1653
Adriaen van Golen; 1653-1665
Dirck van der Pol; 1666-1674
Cornelis van Hoochstrate; 1675-1676
Mathijs Pauwels; 1677-1685
Jacob Palinck; 1685-1686
Heijndrick van Lansbergen; 1686-1692
Johan van Bijier; 1692-1693
Cornelis van Lieshout; 1693-1720
Johannes van Lieshout; 1721-1735
Pieter Tijken; 1735-1788
Anthonij Tijken Pietersz; 1789-1794
Pieter van der Es; 1795-1798
Anthonij Tijken Pietersz; 1798-1807
Hendrik Kooijman; 1817-1833
Leendert de Lijster; 1833-1844
Cornelis Verseveld; 1845-1857
Cornelis Pietersz. de Lijster; 1857-1858
Laagheemraden
Cornelis Pietersz; 1551-1553
Pieter Jansz; 1551-1553
Pieter Adriaensz; 1551-1553
Jop Heinricxsz; 1551-1553
Heindrick Adriaensz; 1552
Adriaen Diricxsz; 1552-1557
Wouter Anthonisz; 1552-1559
Joost Willemsz; 1554-1555
Japhet Andriesz; 1554-1571
Lodewijck Cornelisz; 1554-1559
Adriaen Cornelisz; 1556-1563
Sebastiaen Andriesz; 1556-1568
Huijch Willemsz; 1557-1561
Claes Cornelisz; 1559-1562
Geerlof Anthonisz; 1559
Wouter Anthonisz; 1561-1563
Joris Damasz; 1562-1569
Herper Willemsz; 1562-1566
Cornelis Pietersz. den Ouden; 1563-1596
Huijch Willemsz; 1565-1567
Jan Jansz. int Velt; 1567-1598
Pauwels Mathijsz; 1569-1588
Vop Diericxsz; 1569-1611
Maerten Pietersz; 1575-1583
Geen Jorisz; 1575-1583
Pieter Woutersz; 1577-1626
Pieter Diericxsz. Verschoor; 1583-1612
Lenaert Japhetsz; 1584-1602
Sebastiaen Pietersz. Byll; 1592-1611
Johan Jansz. int Velt; 1595-1601
Hugo Pietersz. Cranendonck; 1601-1612
Sebastiaen Pietersz. Cranendonck; 1603-1639
Leendert Jansz. Zoetentyt; 1612-1618
Adriaen Jan Harmensz; 1612-1622
Japhet Leendertsz; 1612-1617
Heindrick Jansz. int Velt; 1618-1653
Adriaen Geeraertsz. Boots; 1618-1659
Cornelis Roochusz. Clootwijck; 1618-1652
Adriaen Jan Ariensz; 1626-1631
Cornelis Heindricxsz. van der Houp; 1632-1641
Pieter Leendertsz. Arijswager; 1633-1659
Vop Danielsz. van Driel; 1641-1650
Jan Florisz. Verschoor; 1641-1657
Arijen Jan Ariensz. Sparreboom; 1653-1659
Pieter Dirck Clemente; 1659
Matijs Pauwelse; 1659-1676
Pieter Leendertsz. Zoetentijt; 1660-1662
Jan Cornelisz. Bijderveer; 1660-1662
Leendert Leendertsz. Vrancken; 1660-1662
Arij Gerritsz. Mijnlieff; 1662-1665
Dirck Pietersz. Verschoor; 1662-1664
Cornelis Cornelisz. int Velt; 1662-1665
Jan Dircksz. Verschoor; 1664-1665
Arijen Heijndricksz. Houmes; 1664-1666
Matijs Ariensz; 1666-1680
Cornelis Pietersz. den Ouden; 1666-1667
Ingen Bastiaensz.
Secretarissen en penningmeesters van het hoge en lage bestuur van de polder Oost-IJsselmonde
Secretarissen van het hoge bestuur
Pieter Pietersz. van Golen; 1609-1652
Adriaen van Golen; 1652-1661
Pieter de Weerdt; 1661-1686
Cornelis van Lieshout; 1687-1720
Johannes van Lieshout; 1721-1734
Pieter Tijken; 1734-1764
Anthonij Tijken Pietersz; 1765-1807
Gerrit Zwart; 1807-1858
Secretarissen van het lage bestuur
Joris Dammasz; 1562-1569
Pieter Heinricxsz; 1577-1604
Pieter Pietersz. van Golen; 1604-1634
Adriaen van Golen; 1635-1661
Pieter de Weerdt; 1661-1686
Cornelis van Lieshout; 1687-1720
Johannes van Lieshout; 1720-1735
Pieter Tijken; 1735-1764
Anthonij Tijken Pietersz; 1765-1807
Gerrit Zwart; 1807-1858
Penningmeesters van beide besturen
Cornelis Pietersz; 1594-1596
Pieter Woutersz; 1608-1609
Sebastiaen Pietersz. Craennendonck; 1611-1613
Heindrick Jansz. int Velt; 1613-1615
Cornelis Jan Heindricxen; 1615-1617
Heindrick Pietersz. Craennendoncq; 1617-1618
Pieter Pietersz; 1623-1624
Cornelis Jansz. int Velt; 1624-1626
Cornelis Geeraertsz. Lijster; 1626-1628
Willem Jacobsz; 1628-1630
Dirck Pietersz. Verschoor; 1630-1636
Cornelis Cornelisz. int Velt de Jonge; 1659-1660
Pieter Dircxsz. Verschoor; 1675-1676
Jan Cornelisz. Lijster; 1676-1677
Pieter de Weerdt; 1680-1682
Heijndrick Houmes; 1686-1687
Cornelis van Lieshout; 1704-1705
Dirck Vink; 1711-1713
Heyndrick Jansz. Houmes; 1720
Pieter Frans van der Graeff; 1722
Aderjanus Ouwens; 1723-1726
Cornelis van der Singel; 1727-1764
Fop van Driel; 1764-1767
Paulus van Driel; 1767-1784
Hendrik Kooijman Jzn; 1784-1832
Hendrik Kooijman Hzn; 1833-1858
Bestuursleden van de polder Oost-IJsselmonde
Dijkgraven
mr. J.A.M. Bichon van IJsselmonde; 1858-1880
mr. M. Bichon van IJsselmonde; 1880-1889
mr. C.J.A. Bichon van IJsselmonde; 1889-1894
A.P. van Driel; 1894-1902
T. Kooijman; 1902-1910
D. de Lijster; 1911-1923
Jos. Kooijman; 1923-1946
J.J. de Raadt; 1946-1966
D. de Lijster; 1966-1973
Heemraden
C. de Lijster; 1858-1864
P.P. de Lijster; 1858-1865
H.J. Kooijman; 1858-1866
P. van der Graaf; 1858-1860
D. de Jong; 1858-1864
J. van den Berg; 1860-1872
J.H. Nolen; 1865-1880
A.P. van Driel; 1864-1894
P. de Lijster P. Azn; 1864-1866
C.W. de Lijster; 1866-1885
C. Kooijman; 1868-1874
F. van den Berg; 1873-1914
F.M. Kooijman; 1874-1887
J. Kooijman Czn; 1880-1899
F. de Lijster; 1885-1907
T. Kooijman; 1888-1902
P.C. de Raadt; 1895-1917
J. Schelling; 1900-1908
C.E. van Driel; 1903-1922
D. de Lijster; 1907-1911
S.M. Kooijman; 1909
H.P. Kooijman; 1910-1920
Jos. Kooijman; 1911-1923
A. Kleinjan; 1914-1937
J. Kooijman; 1920-1945
E.A. van Driel; 1922-1946
J. de Lijster; 1924-1946
J.J. de Raadt; 1937-1946
H.H. Kooijman; 1946-1973
D. de Lijster; 1946-1966
J.A. Vrijlandt; 1947-1968
S. Kooijman; 1947-1955
H. Velthoen; 1955-1957
G. van Gelder; 1957-1973
L.W. Pons; 1966-1973
A. Wensveen; 1968-1973
Secretarissen
J.J. Speelman; 1859-1874
L.J. Koedijk; 1875-1882
C. Oliemans; 1882-1886
G. Karsseboom; 1886-1895
Penningmeesters
J.A. Rolloos; 1859-1873
H.L. Waterbeek; 1873-1895
Secretaris-penningmeesters
B. Trouw; 1895-1914
P.J. der Weduwen; 1914-1917
F. Beun; 1917-1927
P.A. de Lijster Fzn; 1927-1937
A.J. Mulder; 1937-1944
J. de Schipper; 1944-1953
A.W. Cok; 1953-1973
Het eiland Feijenoord
Voor het onderhoud van de dijken werd vaak aarde gebruikt uit de omliggende gorzen, hetgeen dikwijls tot meningsverschillen leidde met de eigenaren van die gorzen. Derhalve werd in 1457 het gors "Fynoert" voor dat doel aangekocht door de ingelanden van Nieuw-Reijerwaard en Oost-IJsselmonde.
Dit gors was op 1 maart 1450 *  . door vrouwe Dierick van Rijede, weduwe van Aernt van Krueningen, ridder, verkocht aan Thomas Dobbe, die het op zijn beurt op 14 juni 1457 *  . verkocht aan bovengenoemde ingelanden. Nieuw-Reijerwaard kreeg tweederde deel tot zijn beschikking en Oost-IJsselmonde een derde deel. Sindsdien werd het gors voor aardhaling benut en aan particulieren verhuurd, maar wegens de verre afstand en ook omdat men nog het recht van aardhaling bezat uit dichterbij gelegen gorzen, werd op 1 december 1590 het tweederde deel van Nieuw-Reijerwaard verkocht aan Johan van Duvenvoorde, heer van Warmond en Jacobswoude, waarbij de polder het recht van aardhaling bleef behouden.
De overdracht vond plaats op 11 februari 1591 *  . voor schout en heemraden van West-IJsselmonde. Inmiddels was gebleken dat Johan van Duvenvoorde als stroman was op getreden voor de stad Rotterdam bij de aankoop *  . van het Nieuw-Reijerwaardse deel van Feijenoord; Rotterdam wilde nu ook graag het resterende derde deel van Oost-IJsselmonde in zijn bezit hebben, doch het duurde nog een kleine zeventig jaar voor het zover was. Op 11 maart 1658 *  . werd de koopakte gepasseerd voor schout en gerechte van West-IJsselmonde, waar Feijenoord publiekrechtelijk onder viel. Eerst in 1714 *  . slaagde Rotterdam erin de ambachtsheer van West-IJsselmonde te bewegen afstand te doen van de
De vier polders onder West-IJsselmonde
Het oudste en belangrijkste deel van dit gebied is Dirk Smeetsland, dat voor het eerste genoemd wordt in een oorkonde van 29 maart 1444 *  . waarin Jacob van der Wena, ambachtsheer en dijkgraaf van het Westambacht van IJsselmonde, Jan Bartoutsz., mr.Arent van der Woude en Pieter Laurentszoon, dijkheemraden aldaar, verklaren dat voor hen gekomen zijn Jan van Veldwijc, waarsman van Nieuw-Riederwaard, en Dirck Smeets van Hamert die mededelen, dat zij de dijk van acht en een half hond land, dat zij gezamenlijk bezitten in het ambacht van IJsselmonde, hebben gekaveld.
Op 9 november 1444 *  . wordt door Jacob heer van Gaesbeek, Abcoude, Putten en Strijen omstreeks 160 morgen land, genaamd het Westveen van Jacob Bokelsambacht, gelegen "westwaerts opgaende tot die Monikenblake toe, voirt zuytwaert omgaende Jacob Bokelsambocht toe" ter bedijking uitgegeven aan Meester Arend van der Woude.
Dit gebied, oorspronkelijk Nieuw-Katendrecht geheten, kreeg naderhand de naam van zijn bedijker Meester Arend van der Woudensland. Het mocht bedijkt worden tot een zomer- of winterland. Het ging overigens met de bedijking van deze landen niet zo vlot, er waren moeilijkheden met Arend van der Woude en mogelijk heeft de doorbraak van de Hordijk van Oost-IJsselmonde in 1446 ook vertraging opgeleverd. In 1450 *  . wordt bij de overdracht van het gors Feijenoord aan Thomas Dobbe vermeld, dat in deze transactie eveneens begrepen is een kwart van West-IJsselmonde, dat men Jacob Bokelsambacht placht te noemen en nu aan Jan van der Boechorst toebehoort, benevens acht morgen land, gelegen in het bedijkte zomerland van dit ambacht, dat gekocht is van Gilles Daemsz. en nu gebruikt wordt door Dirck Smeetszoon; voorts nog een aantal andere percelen, die Riederambacht en IJsselmonde gekocht hebben om hun Hordijk te maken.
Eerst in 1459 is de bedijking voltooid.
Op 19 juli 1464 *  . werd een bemalingscontract gesloten tussen de besturen van de polder Ridderkerk en die van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, waarbij Ridderkerk één molen of meer mag zetten en de andere partij mag malen in de putten, die aan Ridderkerk toebehoren. Voorts mag Ridderkerk uitwateren door beide polders en een kade leggen, waarvan zij driekwart van de kosten, die hieraan verbonden zijn, voor haar rekening zal nemen.
In 1465 *  . wordt Arend van der Woude, over wie klachten waren ingekomen, afgezet als dijkgraaf en vervangen door Gerbrant Jacobsz., dijkgraaf van Dirk Smeetsland, waarbij de polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland waterstaatkundig een geheel gaan vormen. Charlois en Meester Arend van der Woudensland vielen onder de jurisdictie van Putten, terwijl Dirk Smeetsland met de overige polders van het West- en Oostambacht van IJsselmonde onder de jurisdictie van het baljuwschap van Zuid-Holland viel. Op 21 oktober 1468 *  . breekt de dijk van en lopen beide polders onder; het volgend jaar wordt de dijk hersteld.
Op 7 november 1482 *  . kopen de ingelanden van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland van Jacob Dammasz. ambachtsheer van West-Barendrecht en diens ingelanden een perceel ingedijkt land, genaamd Lombardijen. Over dit merkwaardige gebied, dat naderhand nog een tiendheerlijkheid blijkt te zijn, wordt uitvoerig ingegaan in de inleiding van de inventaris van het gemeente- en heerlijkheidsarchief van IJsselmonde. * 
Na elke indijking vormen zich schorren en aanwassen, die na verloop van tijd worden ingedijkt. Op deze wijze ontstonden de kleine Nieuwelanden, die eigendom waren van Jacob van Wijngaerden en zijn broeders, en als zodanig voorkomen in het contract van 13 juni 1499 *  . dat Jacob van Wijngaerden c.s. sloten met Riederwaard en Dirk Smeetsland. De bedijking van dit gebied geschiedde vóór 1505. Op een kaart uit 1564, die gemaakt is naar aanleiding van een geschil tussen de besturen van Nieuw-Riederwaard en Smeetsland, is duidelijk te zien dat deze nieuwelanden tegen de oude zeedijk liggen. Inmiddels zijn er geschillen ontstaan tussen de ingelanden van de kleine Nieuwelanden enerzijds en die van Riederwaard, Charlois en Dirk Smeetsland anderzijds betreffende de watergang, kaden, sluizen en de schouw. Het geschil wordt beslecht door de stadsregering van Dordrecht in een uitspraak van 29 augustus 1505. *  .
Aan het einde van de 15e eeuw hadden de polders Nieuw-Reijerwaard, Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland een gemeenschappelijke boezem aan de Hordijk, waarop zij hun water uitmaalden door middel van een kreek en een sluis. Bij de bedijking van de kleine Nieuwelanden werd de sluis verplaatst naar de nieuwe dijk en werd de kreek van nieuwe kaden voorzien.
Bij het contract van 24 april 1536 *  . tussen de ingelanden van de kleine Nieuwelanden en die van Smeetsland wordt bepaald dat de lasten van de bedijking voor drievierde zullen worden gedragen door Smeetsland en voor eenvierde door de kleine Nieuwelanden. In 1584 *  . wordt een nieuw contract opgesteld, waarin de overeenkomst van 19 juli 1464 wordt bevestigd. De kleine Nieuwelanden krijgen later, vanwege de grootte van hun oppervlakten, de benaming van de 68 Morgen en de 51 Morgen.
De polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland grensden aan de westzijde tegen de polder Charlois en aan de oostzijde tegen de polder Oost-IJsselmonde. Aan de noordzijde vormde de Smeetslandsedijk de waterkering tegen de Nieuwe Maas en aan de zuidzijde was dit het geval met de Blindedijk en de Achterweg tegen de Oude Maas. De bemaling vond plaats door een gang van twee molens op een boezem, die zich langs de oostzijde tegen de Oostpoldersedijk uitstrekte en waarop ook Nieuw-Reijerwaard door een molen aan de Hordijk zijn water kon uitslaan. Deze boezem loosde door een noordwaartse kreek op de Nieuwe Maas.
Door inpoldering van het binnenland van Barendrecht omstreeks 1483 aan de zuidzijde en naderhand van de twee kleine Nieuwelanden aan de noordzijde werden de Blindedijk en de Achterweg slaperdijk evenals het noordelijk deel van de Smeetslandsedijk; derhalve werd de waterkering aan de noordzijde verplaatst langs de Groenedijk en de Dwars- of Kreeksedijk. Het westelijk deel van de Smeetslandsedijk bleef zijn functie van hoofdwater-kering behouden tot de inpoldering van de nieuw gevormde aanwassen, de latere polders Varkensoord en Karnemelksland. Na de bedijking van de twee kleine Nieuwelanden en de verlenging van de boezem met verplaatsing van de sluis, werd het water afgemalen van Nieuw-Reijerwaard, eerst door één molen en van 1464 af door twee molens aan de Hordijk; van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland samen door een gang van twee molens, van de 68 Morgen en de 51 Morgen elk door één molen.
In de loop der jaren werden moeilijkheden ondervonden bij het afwateren van het boezemwater op de Nieuwe Maas, vooral als het oppervlaktewater van die rivier te hoog bleef, waardoor in de polders grote wateroverlast ontstond. De gezamenlijke polderbesturen besloten hiertegen maatregelen te nemen door het peil op de boezem enige duimen te verhogen. Aangezien de molens van Nieuw-Reijerwaard ongeschikt werden bevonden om hoger te malen, stelde de polder Dirk Smeetsland voor, dat het peil 5 a 6 duim verhoogd zou worden en dat die van Reijerwaard met hun molens op de boezem zouden blijven malen, óf dat Reijerwaard naar verkiezing de beide molens op elkander zou stellen en het water met een goot in de boezem zou malen mits niet hoger dan tot 15 duim. Doch Reijerwaard sloeg dit voorstel af en machtigde zijn dijkcollege het gebruik van de boezem op te heffen en afstand te doen van de eigendom van de ettingen ten behoeve van Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, teneinde zulke bedingen te maken als ten nutte van Reijerwaard zouden kunnen strekken.
Een en ander werd geregeld bij het contract van 9 januari 1740 *  . dat lange tijd de verschillende waterstaatkundige verhoudingen heeft beheerst en waarin Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland alle reeds gemaakte werken aan kade, sluis en sluishaven en het aandeel van Reijerwaard in de gemene boezem voor hun rekening namen.
Beide polders zouden voortaan driekwart van de onkosten in de bovengenoemde werken betalen en ook driekwart van het reeds aanbestede uitdiepen van de Kreek, ook zouden zij alle verplichtingen van Reijerwaard overnemen zowel ten aanzien van de beide polders als van de kleine Nieuwelanden uit hoofde van de contracten van 1464, 1484 en de uitspraak van 1505. Daarentegen gaf Reijerwaard aan Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland de eigendom van kulken, kreken en kaden in de boezem van de Hordijk, voor zover die aan Nieuw-Reijerwaard behoorden, benevens de dijkettingen van de gehele Hordijk, daaronder begrepen de erfpachten achteraan de Hordijk, welke gelegen waren aan die zijde van de Hordijk, die aan de boezem kwam. Smeetsland zou daarvoor de dijk zodanig ophogen, dat hij een putse voet boven het peil zou zijn dat in de boezem gesteld zou worden. De dijk bleef onder de keur en schouw van beide partijen. Na half mei zou Reijerwaard het gat in de Hordijk op haar kosten laten dichten en daardoor de gemeenschap tussen genoemde polders beëindigen.
Het gemeenschappelijk beheer van de aan de vier polders gemene waterkering- en boezembelangen werd later gevoerd door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van de vier polders van West-IJsselmonde, dat in 1862 werd vervangen door het Waterschap van West-IJsselmonde.
Het bestuur van de polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland bestond aanvankelijk uit een dijkgraaf en een aantal heemraden, waarvan het juiste aantal niet bekend is. Bij de overeenkomst tussen de vier polders in 1536 werd een college gevormd bestaande uit een dijkgraaf en vijf hoogheemraden, nl. twee namens Dirk Smeetsland, een namens Meester Arend van der Woudensland en twee namens de kleine Nieuwelanden. Omdat de dijkgraaf en twee hoogheemraden ingelanden van Smeetsland moesten zijn, nam deze polder een dominerende positie in. Het lage bestuur van Dirk Smeetsland bestond uit een dijkgraaf, twee laagheemraden, een secretaris, een penningmeester en een bode; dat van Meester Arend van der Woudensland bestond uit een dijkgraaf, een laagheemraad, een secretaris, een penningmeester en een bode. De functies van dijkgraaf, secretaris, penningmeester en bode werden voor beide colleges vaak door dezelfde personen uitgeoefend. In 1851 ontstond het waterschap van de twee polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, waarvan het bestuur bestond uit een dijkgraaf, drie laagheemraden (twee voor Smeetsland en een voor Arend van der Woudensland), secretaris, penningmeester en bode.
De oppervlakte van de vier polders omvatte in zijn geheel 491 morgen, waarvan 232 morgen voor de polder Dirk Smeetsland en 140 morgen voor de polder Meester Arend van der Woudensland, vandaar dat deze laatste polder in oude stukken vaak de 140 Morgen wordt genoemd.
In 1862 trad het Waterschap van West-IJsselmonde in de plaats van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van de vier polders van West-IJsselmonde. Hiermede raakte Smeetsland zijn dominerende positie kwijt, want het bestuur bestond uit een dijkgraaf en vier hoogheemraden, voor elke polder een. De grenzen van het nieuwe waterschap werden als volgt bepaald: ten noorden en ten westen de buitenteen van de Hoge Zeedijk van het Klein Nieuwland (= de 51 Morgen) en verder de grens van de polders Varkensoord en Charlois, ten zuiden de grens van de polders het Binnenland van Oost- en West-Barendrecht en ten oosten de grens van de polder Oost-IJsselmonde.
Vóór de invoering van het reglement van 1862 *  . bestond het waterschap reeds onder de naam van de vier polders van West-IJsselmonde, zoals blijkt uit de Algemene Keur uit 1856 van dit waterschap.
Het was een dijkcollege, dat belast was met het beheer over en de zorg voor de gemeenschappelijke werken van de vier onderhorige polders, die binnen één dijkomringing gelegen waren. Het college had geen eigenlijk reglement van bestuur, maar voerde volgens oude gebruiken en overeenkomsten het beheer over de gemene werken der vier polders, de dijken, wegen, gemene boezem, uitwateringssluis met buitenhaven en de schouw daarover. Het werd bijgestaan door de secretaris, penningmeester en bode van de polder Dirk Smeetsland c.a. Jaarlijks werden ten overstaan van de ingelanden door het dijkcollege twee rekeningen gedaan: een voor zover het de twee polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland betrof en een voor de vier polders gezamenlijk. De rekening van de twee polders bestond uit de ontvangsten en uitgaven van het in 1740 van Reijerwaard overgenomen driekwart aandeel in de boezem en bemaling, terwijl de rekening van de vier polders de ontvangsten van de gemenelandspachten en het reeds bestaande vierde deel in de gemenelandswerken omvatte. De pachten van de Boezemkaden werden voor
In 1867 werd ten behoeve van het Waterschap van West-IJsselmonde een bovenmolen gesticht aan de Kreekseboezem, die in 1868 voltooid werd. Het noordelijk deel van deze boezem werd hierdoor hoge boezem, waarop de bovenmolen het water uitsloeg, die met een sluisgang door de Kreeksesluis op de noordwaarts naar de Nieuwe Maas voerende buitenhaven afwaterde. Deze sluis, gelegen in de Dwars- of Kreeksedijk, kwam op grond van het contract van 1740 ten laste van de twee polders.
Het administratieve beheer van het waterschap was derhalve drieledig: het beheer van de vier polders, het beheer van de twee polders en het beheer van de molenbouw, ingevoerd in 1868. *  . Zoals uit het voorgaande blijkt was de administratie van het waterschap vrij ingewikkeld, zodat op veelvuldig verzoek naar middelen ter vereenvoudiging werd omgezien.
Ook de bemaling begon te wensen over te laten, zodat het langzamerhand tijd werd tot een algehele reorganisatie over te gaan. Bij overeenkomst van 15 november 1917 *  . kwamen de polders het volgende overeen: Smeetsland zou voor zijn rekening nemen de stichting en exploitatie van een electrische bemaling, de afbraak der bestaande molens en het maken en onderhouden van verbindingsduikers ten gerieve van de andere polders. De polders de 68 Morgen en Klein Nieuwland of de 51 Morgen zouden een jaarlijkse vergoeding betalen voor de bemaling inclusief de omslag voor de molenbouw. Klein Nieuwland zou bovendien aan de 68 Morgen een vergoeding betalen voor het onderhoud van de vliet in laatstgenoemde polder.
In 1918 vond de bouw plaats van de electrische gemalen met bijkomende werken. De oude rekening Molenbouw werd opgeheven en het batig saldo werd gestort op de rekening van de vier polders. De reorganisatie van de administratie liet echter nog op zich wachten.
In 1924 deed het waterschapsbestuur wederom een voorstel aan de stemgerechtigde ingelanden en legde daarvoor een drietal plannen ter tafel. Aangenomen wordt tenslotte het derde plan, dat het volgende inhoudt: alle poldereigendommen worden gemeenschappelijk bezit en alle baten en lasten worden bij gemeenschappelijke omslag geregeld, terwijl er één bestuur komt. Er ontstaan echter moeilijkheden als blijkt dat de provincie niet accoord gaat met de voorstellen; het bestuur besluit voorlopig een afwachtende houding aan te nemen.
Na de annexatie van de gemeente IJsselmonde in 1941 door Rotterdam wordt een gedeelte van Smeetsland ontpolderd voor de bouw van noodwoningen. In 1943 wordt met Rijkswaterstaat een overeenkomst gesloten wegens de afdamming van de Kreeksehaven en de verplaatsing van het gemaal "Jan Vrijlandt"; wegens de oorlog worden deze werkzaamheden pas in 1947 voltooid.
In 1955 stellen Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voor het waterschap op te heffen wegens de instelling in 1954 van het waterschap "De Dijkring IJsselmonde", waardoor het waterschap van West-IJsselmonde zijn voornaamste taken verloor. Verder wordt voorgesteld de vier polders te verenigen tot één administratieve polder onder de naam "Polder West-IJsselmonde". Na uitvoerige discussies wordt besloten hierop negatief te reageren, want er is nooit een gemeenschappelijke bemaling geweest en daarom is een vereniging van de polders uitgesloten. Men doet tegenvoorstellen: b.v. drie zelfstandige polders met een overkoepelend lichaam. Intussen gaan de onteigeningen door; Rotterdam koopt alles op wegens de uitbreidingsplannen Groot-IJsselmonde en Lombardijen. In 1959 worden de polderbesturen en Gedeputeerde Staten het eens: met ingang van 1 januari 1960 zal het waterschap van West-IJsselmonde worden opgeheven en gaan alle eigendommen over naar de polder Dirk Smeetsland c.a.
De polders Dirk Smeetsland en Arend van der Woudensland en die van de 68 Morgen en Klein Nieuwland hadden elk een laag bestuur, hetgeen tot uiting komt in de bijzondere reglementen voor die polders uit de jaren 1857 en 1862.
Het reglement voor de polder Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland stelde als begrenzing vast: ten oosten de polder het Oudeland van Oost-IJsselmonde, ten zuiden de Binnenlandse polder van Barendrecht, ten westen de polder van Charlois, ten noorden de polders Varkensoord, de 68 Morgen en Klein Nieuwland. Het bestuur bestond uit een dijkgraaf en drie heemraden, die op voordracht door de Koning werden benoemd. De dijkgraaf en twee heemraden moesten worden voorgedragen uit de ingelanden van de polder Dirk Smeetsland en een heemraad uit de ingelanden van de polder Meester Arend van der Woudensland. De openbare kennisgevingen en afkondigingen der keuren geschiedden door openbare afkondigingen aan de gemeentehuizen van IJsselmonde en Charlois.
Zoals we gezien hebben bij de opheffing van het Waterschap van West-IJsselmonde gingen alle bezittingen, rechten en verplichtingen van het waterschap over op de polder Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland, zodat deze als voorheen weer de machtigste van de vier polders was. De totale oppervlakte bedroeg ruim 364 ha, waarvan 244 ha voor Dirk Smeetsland en 120 ha voor Meester Arend van der Woudensland. Het was de laagste polder op het eiland IJsselmonde. Bij besluit van Provinciale Staten van 12 juni 1969 werd de polder opgeheven, waarbij alle rechten en verplichtingen met ingang van 1 april 1970 overgingen op de gemeente Rotterdam.
Het reglement voor de polder de 68 Morgen of de Laagjes, zoals hij ook wel werd genoemd (vermoedelijk naar de Groene Laagjesdijk als grensscheiding met Varkensoord) stelde als begrenzing vast: ten westen en ten noorden de polder Varkensoord, ten westen de polder Klein Nieuwland en ten zuiden de polder Dirk Smeetsland. Het bestuur bestond uit een voorzitter en twee heemraden. Om lid van het bestuur te worden werd een bezit vereist van twee bunders, waarvan de polderomslag werd betaald. Openbare afkondigingen geschiedden te IJsselmonde. De bemaling had plaats door een in 1854 vernieuwde windwatermolen, totdat deze in 1918 werd vervangen door de gemeenschappelijke electrische bemaling der vier polders tegen een jaarlijkse bijdrage in de bemalings- en onderhoudskosten.
De dijken en kaden werden beheerd door het Waterschap van West-IJsselmonde, waarvan een kwart ten laste van het beheer van de vier polders kwam en driekwart ten laste van het beheer van de twee polders. De grindwegen werden onderhouden door de gemeente IJsselmonde volgens de overeenkomsten van 1873. Aangezien men hardnekkig vasthield aan de benaming de Laagjes, ontving het polderbestuur in 1944 een brief van het Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland, waarin nog eens uitdrukkelijk werd vastgesteld dat de naam van de polder uitsluitend die van de 68 Morgen was en dat aan het hoofd van het bestuur een voorzitter stond en geen dijkgraaf. De polder werd eveneens als die van Dirk Smeetsland c.a. in 1969 opgeheven.
Het reglement voor de polder Klein Nieuwland of de 51 Morgen stelde als begrenzing vast: ten noorden de Hoge Zeedijk van de vier polders van West-IJsselmonde, ten oosten de polder Oost-IJsselmonde, ten zuiden de polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland en ten westen de polder de 68 Morgen.
De polder behoorde aan één eigenaar, die het bestuur vertegenwoordigde, en aan Gedeputeerde Staten werd opgegeven. Als aanwas van deze polder ontstond de buitendijkse polder het Zomerland, die eveneens als de vorige eigendom was van de ambachtsheer Bichon van IJsselmonde.
De polder Klein Nieuwland of de 51 Morgen ontleende zijn laatste naam, evenals de polder de 68 Morgen, aan zijn oppervlakte.
De bemaling had plaats door middel van een windwatermolen, die aan de westelijke polderrand stond tegenover de molen van de 68 Morgen. In 1918 werd de molen vervangen door de gemeenschappelijke electrische bemaling van de vier polders. De polder werd met een verbindingsduiker met Smeetsland verbonden.
Het gebied van de polders Klein Nieuwland en het Zomerland werd door de ambachtsheer verpacht of verhuurd. Wel betaalde hij een bijdrage in de bemaling en verdere onderhoudskosten. In vroegere tijden werd het toezicht op deze polder uitgeoefend door het bestuur van het ambacht Oost-IJsselmonde in opdracht van de ambachtsheer.
In 1941 werd de polder gedeeltelijk ontpolderd en in 1962 ging de eigendom over aan de gemeente Rotterdam. De polder het Zomerland werd in 1932 aan Rotterdam afgestaan.
Naamlijsten van bestuursleden van de vier polders onder West-IJsselmonde
Dijkgraven en heemraden van de polder Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland
Dijkgraven
Jan Rodrich; 1472-1473
Gerbrant Jacobsz; 1474-1477
Gherijt van Nyevelt; 1477-1478
Heemraden
Jonge Boudewyn Hart; 1467-1468
Dirc Hugesz; 1467-1477
Gheryt van Nyevelt; 1467-1469
Jan Voppensz; 1467-1477
Dyrc Dircxsz; 1468-1469
Jacob Gheymansz; 1473-1477
Symon Henricxsz; 1473-1474
Arent van Dijc; 1473
Jacop die Gort; 1473-1474
Joest Phillipsz; 1474
Ary Jansz; 1474-1478
Pieter Jansz; 1476-1477
Willem Naghel; 1476-1478
Coppine die Goert; 1476-1478
Jacob Claesz; 1477-1478
Jan Ghijbesz; 1477-1478
Claes Pietersz. van Dyc; 1486-1495
Aryaen Jansz; 1486-1495
Aryaen Woutersz; 1486-1487
Andries Jansz; 1486-1492
Penningmeesters
Jan Pietersz; 1466-1467
Andrys sone Jan Witten soen; 1467-1469
Jan Voppesz; 1472-1473
Arent van Dyck; 1473-1478
Jacob Gheymansz; 1486-1492
Dijkgraven en hoogheemraden van de vier polders van West-IJsselmonde
Dijkgraven
Dierick van Wijngaerden; 1498-1508
Jan Cornelisz; 1508-1518
Pieter Dircxsz; 1520-1532
Heijndrick Aertsz; 1533-1551
Andries Adriaensz; 1553-1557
Christiaen Pietersz. Carré; 1560-1573
Geraerdt van Wijngaerden; 1578-1583
mr. Johan van Muijlwijck; 1584-1611
Gijsbrecht Adriaensz; 1612-1615
Willem Jacobsz; 1616-1632
Ploen Ploennen Verschoor; 1632-1645
Willem Aertsz. Verschoor; 1646
Symon Willemsz. Noortdijck; 1647-1652
Pieter Dammissz. Compeer; 1653-1668
Huijgh Pietersz. Craenendonck; 1670-1685
Samuel Everwijn; 1686-1695
Willem van Zijl; 1695-1715
Willem Symontsz. Noortdijck; 1716-1727
Pieter Dammissz. van Zijl; 1728-1739
Hendricus Oudraat; 1740-1774
Willem van der Lek; 1775-1787
Anthonij Tijken; 1787-1805
Clement Tol; 1806-1809
Cornelis Verseveld; 1833-1853
Jan de Jong; 1854-1862
Hoogheemraden
Claes Pietersz. van Dyc; 1496-1525
Aryaen Jansz; 1496-1503
Aryaen Jacobsz. Gorter; 1498-1532
Maertyn Meeusz; 1498-1525
Claes Jansz; 1498-1500
Geryt Heynrijcksz; 1500
Cornelis Heynrijcksz; 1500-1503
Pieter Dircxsz; 1503-1518
Jan Arijaensz; 1511-1530
Jan Apersz; 1516-1551
Jacop Cornelisz. Gorter; 1516-1545
Adriaen Gheritsz; 1522-1529
Cornelis Jansz; 1524-1526
mr. Pieter Willemse; 1524-1528
Heijndrick Aertsz; 1526-1532
Cornelis Pietersz; 1530-1554
Frans Adriaensz. Gorter; 1532-1569
Jan Heijndricksz; 1533-1541
Gheen Ghijsbrechtsz; 1533-1545
Heijndrick van Wyngaerden; 1533-1563
Jan Jansz., priester; 1535-1536
Sebastiaen Cornelisz; 1537
Gherit Roelofsz; 1550-1572
Dirck Florisz; 1550-1572
Lenaert Pietersz; 1553-1560
Andries Egbertsz; 1554-1580
Dirck Jacobsz; 1560-1561
mr. Gerrit van Wijngaerden; 1565-1585
Tielman Gorter Fransz; 1570-1572
Dirck Henricxsz; 1573-1580
Claes Cornelisz. van Driel; 1573-1579
Willem Oom Hermansz; 1573-1580
Huijch Pietersz. van Cranendonck; 1578-1612
mr. Johan van Muylwijck; 1581-1583
Witte Louwerisz; 1581-1587
Gijsbrecht Adriaensz; 1581-1611
Geraerdt Roelofsz. van der Mij; 1589-1592
Arnoldt van Wynderbeeck; 1589-1607
Pieter Pietersz. Cranendonck; 1589-1601
mr. Cornelis van Mierop; 1598-1607
Ploen Dircxsz. Verschoor; 1603-1632
Joachum van Mierop; 1606-1615
Gijsbrecht van Arckel; 1609-1611
Mathijs Pauwelsz; 1612-1633
Dammis Jansz; 1612-1619
Geerraert Huijgensz. Craennendoncq; 1614-1624
Dirck Wittensz; 1616-1631
Lenert Cornelisz. Cleijne; 1618-1632
Ploen Ploennen Verschoor; 1623-1632
Pieter Huijgensz. Craennendoncq; 1624-1633
Jan Aertsz; 1630-1645
Lauris Aertsz; 1631-1652
Willem Leendertsz. Arijswaeger; 1632-1637
Willem Pietersz. Meuijer; 1632-1636
Cornelis Heindricxsz. van der Houp; 1633-1641
Willem Aertsz. Verschoor; 1633-1645
Symon Willemsz. Noortdijck; 1637-1646
Aert Adriaensz.
Secretarissen
Pieter Hendricksz; 1580-1604
Pieter Pietersz. van Golen; 1604-1642
Adriaen van Golen; 1642-1692
Cornelis van Lieshout; 1693-1723
Willem van der Lek; 1723-1787
Anthonij Tijken Pietersz; 1787-1805
Gerrit Zwart; 1806-1862
Penningmeesters
Jan Aryaensz; 1496-1511
Ary Gheritsz; 1513-1519
Cornelis Pietersz; 1521-1529
Adriaen Gheritsz; 1529-1532
Cornelis Pietersz; 1532-1548
Gherit Adriaensz; 1548-1558
Cornelis Heinricxsz; 1558-1563
Gerrit Pietersz. (van) Cranendonck; 1563-1573
Aernt van Dijc; 1574-1577
Witte Louwerisz; 1578-1579
Cornelis Andriesz. Munter; 1579-1587
Ploen Diericxsz. Verschoor; 1587-1599
Pieter Hendricxsz; 1599-1604
Jacob Dircxsz. de Gorter van Reygersberge; 1604-1607
Cornelis Adriaensz. Huijser; 1608-1612
Willem Jacobsz; 1613-1615
Pieter Huijgensz. Cranendonck; 1616-1620
Adriaen Geraertsz. Boots; 1620-1623
Willem Pietersz; 1624-1626
Gijsbrecht Cornelisz; 1627-1629
Cornelis Adriaensz. Huijser; 1629-1631
Willem Aertsz; 1631-1633
Bastiaen Pietersz. Craennendoncq; 1633-1635
Adriaan Pleunen de Jonge; 1635-1641
Allert Querynen; 1641-1643
Arijen Cornelisz. Huijser; 1643-1645
Pieter Dammissz. Compeer; 1645-1647
Cornelis Bouwensz. Roebol; 1647-1649
Dirck Bastiaensz. Boer; 1649-1651
Cornelis Japhetsz; 1651-1653
Leendert Ariensz; 1653-1655
Cornelis Willemsz. Noortdijck; 1655-1656
Pieter Arijen Robben; 1657-1659
Pieter Dammissz. Compeer; 1659-1661
Cornelis Bastiaensz. Cranendonck; 1661-1663
Leendert Gerrits Mijnlieff; 1663-1665
Pleun Pietersz. Cranendonq; 1665-1667
Dirck Dammisse van der Heul; 1667-1668
Wouter Ploennen de Henne; 1669-1671
Aert Aertse de Ouwe; 1671-1673
Pieter Jacobsz. Rap; 1673-1675
Fleurijs Pouwelse Verschoor; 1675-1677
Jacob Pietersz; 1677-1679
Willem van Sijl; 1679-1681
Arij Gerritsz. van der Vliedt; 1681-1683
Samuel Everwijn; 1683-1685
Willem Sijmense Noortdijck; 1685-1687
Gerrit Pietersz; 1687-1689
Pleun Ariensz. van der Wilt; 1693-1694
Geerit Ariensz. van Vliet; 1699-1719
Jan Willemse Tuynder; 1719-1723
Arij Schelling; 1723-1725
Arij van Vliet; 1725-1731
Dirk van den Chingel; 1731-1735
Willem van Vliet;
Dijkgraven en hoogheemraden van het waterschap van West-IJsselmonde
Dijkgraven
K. van der Vurm; 1862-1879
P. Kooijman Jzn; 1879-1884
H.C. Vaandrager; 1884-1895
D.A. van der Vorm Ozn; 1895-1899
J. Vrijlandt; 1899-1938
P.M. Vrijlandt; 1938-1963
Hoogheemraden
mr. M. Bichon van IJsselmonde; 1862-1889
P. Kooijman Jzn; 1862-1879
H.C. Vaandrager; 1862-1884
J.A. Rolloos; 1862-1867
J. van der Vorm Kzn; 1867-1901
J. van der Vurm Krzn; 1880-1902
D.A. van der Vorm Ozn; 1884-1895
mr. C.J.A. Bichon van IJsselmonde; 1890-1900
W. Noordzij Jzn; 1895-1913
A. Velthoen; 1901-1936
Jos. Kooijman; 1902-1946
F. van der Vorm; 1902-1923
M.D. Noordzij Wzn; 1913-1949
A. Kleinjan; 1923-1936
mr. R. Bichon van IJsselmonde; 1936-1963
D.A. Kleinjan; 1937-1963
S. Kooijman Joszn; 1946-1955
L.D. Vaandrager; 1950-1963
F.M. Kooijman; 1955-1963
Secretarissen
G. Zwart; 1862-1863
J.J. Speelman; 1863-1874
H.L. Waterbeek; 1875-1897
P.F. van Slijpe; 1897-1915
P.A. de Lijster; 1915-1936
Jac. van der Pas; 1937-1954
L. Dubbeldam; 1954-1955
J. de Korver; 1955-1963
Penningmeesters
J. Molenaar; 1862-1863
J.J. Speelman; 1863-1874
H.L. Waterbeek; 1875-1897
P.F. van Slijpe; 1897-1915
P.A. de Lijster; 1915-1936
Jac. van der Pas; 1937-1954
L. Dubbeldam; 1954-1955
J. de Korver; 1955-1963
Bestuursleden van de polder Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland
Schout, dijkgraaf, voorzitter
Gijsbrecht Adriaensz; 1578-1615
Adriaen Aertsz. Hacke; 1615-1620
Willem Jacobsz; 1620-1626
Aert Adriaensz. Hacke; 1627-1652
Dirck Bastiaensz. Boer; 1652-1665
Arij Dircxsz; 1667-1692
Dirk van der Lek; 1692-1726
Willem van der Lek; 1727-1787
Anthonij Tijken Pietersz; 1787-1805
Clement Tol; 1806-1813
Cornelis Verzeveld; 1825-1853
Jan de Jong; 1854-1858
K. van der Vurm; 1858-1879
P. Kooijman Jzn; 1879-1884
J. Klootwijk; 1884-1890
D.A. van der Vorm Ozn; 1891-1899
J. Vrijlandt; 1899-1942
P.M. Vrijlandt; 1942-1967
L.D. Vaandrager; 1967-1970
Laagheemraden
Witte Louwerisz; 1578-1584
Ploen Dircksz. Verschoor; 1578-1619
Pieter Pietersz. van Cranendonck; 1578-1600
Allaerdt Harbertsz; 1579-1587
Dammis Jansz; 1583-1617
Jan Huijgensz; 1584-1588
Pieter Dierickxsz; 1586-1596
Lenert Huijgensz; 1597-1598
Adriaen Aertsz. Hacke; 1598-1615
Ingen Adriaensz; 1601-1616
Geraerdt Huijgensz. Cranendonck; 1602-1622
Querijn Allertsz. Jonckint; 1604-1638
Willem Jacobsz. Noortdijck; 1613-1631
Adriaen Geeritsz. Boots; 1617
Sebastiaen Pietersz. Craennendoncq; 1618-1640
Aert Adriaensz. Hacke; 1623-1625
Pieter Huigensz. Craennendoncq; 1624-1632
Willem Pietersz. Muijer; 1625-1635
Willem Aertsz. Verschoor; 1632-1645
Symon Willemsz. Noortdijck; 1635-1648
Pieter Dammissz. Compeer; 1638-1665
Pieter Ingensz; 1638-1640
Cornelis Bouwensz. Roobol; 1646-1651
Cornelis Bastiaensz. Craennendonck; 1646-1663
Aldert Crijnen; 1649-1656
Leendert Arentsz; 1653-1669
Cornelis Willemsz; 1653-1660
Dirck Dammissz; 1663-1669
Huijch Pietersz. Cranendoncq; 1663-1669
Pleun Pietersz. Craenendonck; 1668-1680
Teunis Jansz. Verschoor; 1668-1669
Floris Pouwels Verschoor; 1679-1702
Dammis Willemsz. van Sijl; 1679-1693
Willem Symonsz. Noortdijck; 1679-1692
Ingen Pieterse Hordijck; 1686-1692
Dammis Pleunen Kranendonck; 1694-1727
Fop Ariense Mijnlief; 1694-1727
Arien Gerritsz. Molendijck; 1694-1719
Cornelis Heinderickse Drogendijk; 1704-1725
Pieter Ingense Hordijk; 1705-1736
Frank van Es; 1728-1737
Cornelis Ariensz. Houmes; 1728-1759
Johannes Anthonij van der Lek; 1728-1771
Leendert Arijensz. Smeer; 1730-1750
Arij Jansz. Salij; 1752-1798
Jan Troost; 1752-1755
Jacob Jansz. Lievaart; 1752-1758
Gijsbert Steenhoek; 1759-1794
Jan Kok; 1759-1762
Claas Swart; 1766-1781
Leendert Kok; 1767
Cornelis van der Lek; 1773-1777
Bastiaan van Es; 1773-1797
Clement Tol; 1779-1811
Maarten de Kievit; 1787-1805
Sijmon Huijzer;
Secretarissen
Adriaen van Golen; 1642-1692
Dirk van der Lek; 1692-1726
Willem van der Lek; 1727-1787
Anthonij Tijken Pietersz; 1787-1805
Gerrit Zwart; 1806-1858
J. Molenaar; 1859-1866
C. de Jong; 1867-1870
J.J. Speelman; 1871-1874
H.L. Waterbeek; 1875-1897
P.F. van Slijpe; 1897-1915
P.A. de Lijster; 1915-1936
Jac. van der Pas; 1936-1955
J. de Korver; 1955-1970
Penningmeesters
Adriaen Adriaensz; 1567-1568
Allert Herpersz; 1570-1571
Adriaen Cornelisz; 1577-1579
Pieter Diericxsz; 1579-1581
Witte Louwerisz; 1581-1583
Dammis Jansz; 1583-1585
Pieter Pietersz; 1585-1587
Adriaen Jacobsz; 1587-1589
Cornelis Andriesz. Munter; 1589-1591
Huych Pietersz. Cranendonck; 1591-1593
Johan Huygensz; 1593-1595
Adriaen Robrechtsz; 1595-1597
Aerdt Eewoutsz; 1597-1598
Pieter Hendricxsz; 1598-1599
Adriaen Cornelisz; 1599-1601
Ingen Adriaensz; 1601-1603
Ploen Dircxsz. Verschoor; 1603-1605
Jan Jansz. int Velt de Jonge; 1605-1607
Cornelis Adriaensz. Huijser; 1607-1609
Dammis Jansz; 1609-1611
Pieter Huijgensz. Craennendonck; 1611-1613
Geeraert Huygen Craennendonck; 1613-1615
Querijn Allertsz. Jonckint; 1615-1617
Adriaen Geeraertsz. Boots; 1617-1621
Adriaen Cornelisz.(aen den) Hordijck; 1621-1623
Willem Pietersz; 1623-1626
Gijsbrecht Cornelisz; 1626-1629
Cornelis Adriaensz. Huijser; 1630-1631
Willem Aertsz; 1631-1633
Bastiaen Pietersz. Craennendoncq; 1633-1635
Adriaen Ploennen; 1635-1642
Allert Crynen; 1642-1644
Adriaen Cornelisse Huijser; 1644-1646
Pieter Dammissz. Compeer; 1646-1648
Cornelis Bouwensz. Roebol; 1648-1649
Dirck Bastiaensz. den Boer; 1649-1651
Dirck Dammissz; 1651-1652
Cornelis Ariensz; 1653-1655
Cornelis Willemsz. Noortdijck; 1655-1657
Arijen Jacobsz. Vinck; 1657-1659
Cornelis Pieterse Munter; 1659-1661
Roockus Pieterssen 't Kind; 1661-1663
Jacob Willems Verschoor; 1663-1669
Arije Jansse Koek; 1678-1680
Aert Aertse Ouwe; 1684-1686
Pleun Ariense van der Wilt; 1686-1688
Pieter Pietersz. Welboren; 1688-1690
Arijen Dircxse Remmel; 1690-1694
Arijen Ingense; 1694-1698
Cornelis Salij; 1699-1700
Pieter Ingense Hordijck; 1700-1701
Cornelis Houmes; 1708-1709
Claes Florisse Verschoor; 1719-1720
Hendrik van den Chingel; 1748-1762
Hendrik Huijser; 1770-1787
Hendrik Tempelaar; 1787-1793
Cornelis van
Bestuursleden van de polder de 68 Morgen
Dijkgraven en voorzitters
Cornelis Verseveld; 1833-1853
J.A. Rolloos; 1858-1868
J. van der Vorm Kzn; 1868-1898
A.L. van der Vorm; 1898-1934
Jos. Kooijman; 1934-1946
D.A. Kleinjan; 1947-1962
P.M. Vrijlandt; 1962-1965
L.D. Vaandrager; 1965-1970
Laagheemraden
Arij Jansz. Salij; 1775-1805
Bastiaan van Es; 1805-1819
Hendrik Kooijman Jzn; 1805-1833
Pieter Millenaar; 1833-1846
Pleun Kooijman; 1841-1847
Otto van der Vurm; 1846-1872
Pieter Kooijman Jzn; 1847-1879
F. van der Vorm; 1872-1898
J. Kooijman Pzn; 1879-1902
P.C. Kooijman; 1898-1916
Jos. Kooijman Jzn; 1902-1946
J. Kleyne; 1903
J. Biert; 1903-1907
A. Kleinjan; 1925-1936
F.M. Kooijman; 1934-1963
P.H. Kleinjan; 1937-1947
D.A. Kleinjan; 1938-1947
S. Kooijman Jzn; 1947-1958
H.J. Zwaai; 1950-1962
H. Velthoen; 1956-1957
H. Alblas; 1957-1963
L.D. Vaandrager; 1962-1965
J.F.H. Zwaai; 1962-1970
D.A. Kleinjan; 1964-1970
D.C. Binnenkamp; 1965-1970
Secretarissen
Anthonij Tijken Pietersz; 1787-1805
Gerrit Zwart; 1805-1858
J.J. Speelman; 1858-1874
H.L. Waterbeek; 1874-1897
Jos. de Lijster; 1897-1903
T. Plantenga; 1903-1911
P.J. der Weduwen; 1911-1917
P.A. de Lijster; 1917-1936
A.J. Mulder; 1936-1944
Jac. van der Pas; 1945-1954
L. Dubbeldam; 1954-1955
J. de Korver; 1955-1970
Penningmeesters
Jan Salij; 1787-1799
Pieter van Zijl; 1799-1805
Pieter Cornelisz. van Driel; 1806-1812
Jan Kooijman Hzn; 1812-1845
Cornelis Kooijman Jzn; 1845-1852
Jan Molenaar; 1852-1858
Eigenaren van de polders de 51 Morgen of het Klein Nieuwland en het Zomerland
Eigenaren van de polder de 51 Morgen
Floris Oem van Wijngaerden; 1496-1533
Joost van Wijngaerden; 1533-1540
Hendrik van Merode; 1540-1565
Johan van Merode; 1565-1602
Philips van Merode; 1602-1627
Floris van Merode; 1627-1639
Ferdinand Philips van Merode; 1639-1653
Franciscus Hyacinthus van Merode; 1653-1656
Isabella Margaretha Francoise van Merode; 1656-1664
Adriaen Lampsins; 1664-1686
Jean de Mey; 1686-1721
Maria van Niedeck, weduwe van Jean de Mey; 1721-1730
Claes Bichon; 1731-1734
Cornelia Henriette Hechtermans, weduwe van Claes Bichon; 1734-1750
Jean Bichon; 1750-1801
Johan Adriaan Bichon; 1802-1807
Adriana Catharina Verstolk, weduwe van Johan Adriaan Bichon; 1807-1816
Marinus Cornelis Bichon van IJsselmonde; 1817-1845
Susanna Albertina Johanna Coenen, weduwe van Marinus Cornelis Bichon van IJsselmonde; 1845-1852
Marinus Bichon van IJsselmonde; 1853-1889
Cornelis Johan Adriaan Bichon van IJsselmonde; 1889-1923
René Bichon van IJsselmonde; 1923-1961
Eigenaren van de polder het Zomerland
Johan van Merode; 1565-1602
Philips van Merode; 1602-1627
Floris van Merode; 1627-1639
Ferdinand Philips van Merode; 1639-1653
Franciscus Hyacinthus van Merode; 1653-1656
Isabella Margaretha Françoise van Merode; 1656-1664
Adriaen Lampsins; 1664-1686
Jean de Mey; 1686-1721
Maria van Niedeck, weduwe van Jean de Mey; 1721-1730
Claes Bichon; 1731-1734
Cornelia Henriette Hechtermans, weduwe van Claes Bichon; 1734-1750
Jean Bichon; 1750-1801
Johan Adriaan Bichon; 1802-1807
Adriana Catharina Verstolk, weduwe van Johan Adriaan Bichon; 1807-1816
Marinus Cornelis Bichon van IJsselmonde; 1817-1845
Susanna Albertina Johanna Coenen, weduwe van Marinus Cornelis Bichon van IJsselmonde; 1845-1852
Johan Adriaan Marinus Bichon van IJsselmonde; 1852-1880
Johanna Albertina Helena Bichon van IJsselmonde; 1881-1885
Philippina Maria Carolina Bichon van IJsselmonde; 1885-1888
Marinus Bichon van IJsselmonde; 1888-1889
Cornelis Johan Adriaan Bichon van IJsselmonde; 1889-1923
René Bichon van IJsselmonde; 1923-1932
Varkensoord en Karnemelksland
Na de bedijking van West-IJsselmonde in 1459 en van Charlois in 1460 begonnen zich, zoals gebruikelijk, aanwassen te vormen.
Op een zeker moment, wanneer is niet bekend, werd een groot deel van deze gorzen omkaad. Dit gebied heet Varkensoord en Karnemelksland en komt als zodanig reeds voor in 1576 *  . als de gebruikers en bewoners van het buitenland van het Westambacht van IJsselmonde, genaamd "Verckens Noort", kwijtschelding van alle belastingen en omslagen verkrijgen wegens de enorme brand- en waterschade, die hen in de nazomer van 1575 door soldaten is toegebracht.
Varkensoord viel onder de jurisdictie van de baljuw van Zuid-Holland en Karnemelksland onder die van Putten over de Maas. Ook hier werd de grens tussen beide polders aangegeven door een denkbeeldige lijn te trekken van de kerktoren van Hillegersberg naar een paal in de dijk, zoals dat ook het geval was bij Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland. Derhalve viel Karnemelksland onder Charlois en Varkensoord onder West-IJsselmonde. Varkensoord grensde aan de oostzijde aan de Kreek en in het zuiden aan de Groenedijk, in het westen aan Karnemelksland, terwijl de Nieuwe Maas de noordgrens vormde.
De polders Varkensoord en Karnemelksland hadden elk een eigen bestuur, bestaande uit een dijkgraaf met laagheemraden, die echter gezamenlijk vergaderden en beschikten over een gemeenschappelijke secretaris, penningmeester en bode. Het bestuur van Varkensoord bestond uit een dijkgraaf en vier heemraden, die gekozen werden uit de ingelanden.
Het bestuur van Karnemelksland bestond uit een dijkgraaf en een heemraad, die werden benoemd door de grondheren van Charlois. Daarnaast bestond er nog een college van dijkgraaf en hoogheemraden van Varkensoord en Karnemelksland, naderhand ook wel het Hoogheemraadschap van Varkensoord genoemd. Het bestuur werd gevormd door een dijkgraaf en twee hoogheemraden, die werden bijgestaan door de secretaris en penningmeester van de polders Varkensoord en Karnemelksland.
De taken van dit orgaan bestonden uit het beheer over de aanwassen en buitengronden van de polder, het beheer over de buitenkade of Varkenoordsekade, het beheer over de wegen, het beheer over de sluis en sluishaven, benevens de schouw over alle genoemde werken. Alles was geregeld volgens de overeenkomst van 1 juni 1676 *  . na het sluiten van de rekening.
Volgens oud gebruik moest de penningmeester of waarsman, zoals hij vroeger werd genoemd, ingeland zijn van de polder Varkensoord en woonachtig zijn in de gemeente IJsselmonde. Vermoedelijk hield dit verband met het feit dat het dorp IJsselmonde de zetel van het bestuur was. De lage penningmeester stelde de lage rekening of de rekening van het molenschot op. Was er een tekort, dan werd dit ten laste van de hoge rekening gebracht. Het batig slot van de hoge rekening kwam echter uitsluitend ten goede aan de ingelanden van Varkensoord. De voornaamste bron van inkomsten bestond uit de opbrengst van het riet uit de aanwassen van de polder Varkensoord. De polder Karnemelksland had in de administratie van de hoge rekening echter geen beheer.
In 1851 werden de polders Varkensoord en Karnemelksland verenigd tot een waterschap en in 1858 werden alle drie besturen opgeheven en verenigd in een nieuw bestuur, bestaande uit een dijkgraaf en vier heemraden, twee voor elke polder. Ze werden voor zes jaar benoemd. Men heeft nog geprobeerd om het hoogheemraadschap te laten voortbestaan, doch zonder resultaat.
Bij schrijven van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 11/18 januari 1859 kwam dit instituut te vervallen. In 1922 werd aan Gedeputeerde Staten het voorstel gedaan om over te gaan op drie heemraden, omdat één persoon zowel dijkgraaf als heemraad was. Doch de Staten beslisten anders: voortaan zou het bestuur bestaan uit een dijkgraaf en twee heemraden om te voorkomen dat Varkensoord zijn vroegere meerderheid in het bestuur weer zou terugkrijgen.
De bemaling van de polders geschiedde door een boezem, die via een gemeenschappelijke sluis afwaterde in het Zwanegat.
De watermolen stond in Karnemelksland, die door middel van een omkade voorboezem met de bergboezem in verbinding stond. De stad Rotterdam had als eigenaar van het gors Feijenoord in 1644 dammen en hoofden aangebracht, met als gevolg dat het Zwanegat verzandde en de afwatering van de polders in gevaar kwam.
Men kwam overeen dat de sluis op kosten van Rotterdam 160 roeden oostwaarts werd verplaatst. Volgens resolutie van de Staten van Holland van 6 juni 1722 zou het Zwanegat, een arm van de rivier de Maas, nimmer worden afgedamd. In 1800 werd door het Uitvoerend Bewind op aandringen van Rotterdam en op advies van de inspecteur van de waterstaat deze resolutie ingetrokken en werd het Zwanegat afgedamd. Hierdoor ontstond grote schade voor de polders de Hille en Varkensoord, die beiden op dit gebied afwaterden. Na langdurige onderhandelingen werd tenslotte een doorgraving gemaakt.
Toen in 1867 de molen afbrandde en er een nieuwe moest worden gebouwd, zocht men samenwerking met de polder de Hille en Katendrecht in verband met de verbetering van de bemaling. Katendrecht trok zich al spoedig terug en men besloot tot oprichting van een stenen bovenwatermolen aan de binnenzijde van de sluis van Varkensoord in gemeenschap met de Hille. Dit plan is echter niet doorgegaan en al spoedig werd een nieuw plan gelanceerd, nl. een gemeenschappelijke stoombemaling met de Hille en Katendrecht.
Dit plan werd in 1870 een feit door de oprichting van het Waterschap voor de gemeenschappelijke belangen der polders Varkensoord en Karnemelksland, de Hille en Katendrecht. De oude molen werd in 1871 verkocht. In 1889 liep de polder Varkensoord onder door een doorbraak in de bestrate dijk; uitmaling geschiedde met hulp van de omliggende polders. Bij overeenkomst van 15 juni 1900 werd de bemaling van dit gebied overgenomen door de gemeente Rotterdam.
De delen Varkensoord en Karnemelksland werden van elkaar gescheiden door een watergang, de Vliet genaamd, die vóór 1894 de grensscheiding tussen de gemeenten IJsselmonde en Charlois vormde. Een restant van deze Vliet bestaat thans nog als de Lange Geer in Rotterdam-Zuid. Charlois en Karnemelksland werden in 1894 door Rotterdam geannexeerd en geleidelijk aan verliest de polder Varkensoord steeds meer terrein aan de stadsuitbreiding van de Gemeente Rotterdam.
Tenslotte valt op 25 juni 1954 het ontpolderingsbesluit en in 1957 wordt de polder opgeheven.
Naamlijsten van bestuursleden van de polders Varkensoord en Karnemelksland
Dijkgraven en hoogheemraden van de polder Varkensoord
Dijkgraven
Claes Cornelisz; 1570
Gerrit Pietersz. Craenendonck; 1573
Witte Louweris; 1578-1583
Gijsbrecht Adriaensz; 1590-1615
Adriaen Aertsz. Hacke; 1618-1622
Willem Jacobsz. Noordyck; 1624-1632
Aert Adriaensz. Hacke; 1633-1653
Eeuwout Aertsz. Verschoor; 1654-1680
Huijgh Pietersz. Cranendonck; 1681-1685
Adriaen de Langhe; 1686-1741
Johannes Anthonij van der Lek; 1741-1771
Hendrik van der Chingel; 1772-1780
Jacob Swaal; 1781-1787
Anthonij Tijken; 1788-1803
Bastiaan Kleyne; 1833-1840
Cornelis Verzeveld; 1841-1853
Pieter Kooyman; 1854-1858
Hoogheemraden
Dirck Jacobsz; 1570
Dirck Jansz; 1570
Gerrit Pietersz. Cranendonck; 1571
Ghijsbrecht Adriaensz; 1571
Dirick Florisz; 1571
Huych Pietersz. (van) Cranendonck; 1578-1610
Willem Pietersz. (van) Cranendonck; 1578-1590
Ploen Diericksz. Verschoor; 1578-1624
Ploen Symonsz; 1578-1592
Wit Sebastiaensz; 1578-1580
Salomon van der Houve; 1581-1583
Sasboudt Boeckelsz. van der Burch; 1581-1583
Pauwels van Alckemade; 1581-1583
Johan Jansz. int Velt; 1590-1612
Dammis Jansz; 1595-1615
Adriaen Robrechtsz; 1595-1600
Adriaen Aertsz. Hacke; 1607-1615
Adriaen Cornelisz. (aen den) Hordyck; 1614-1649
Lenert Kettingh; 1618-1635
Willem Jacobsz. Noordyck; 1618-1625
Pieter Huygensz. Craennendoncq; 1619-1633
Willem Pietersz. Muijer; 1624-1636
Willem Leendertsz. Arijswager; 1634-1638
Ploen Ploennen Verschoor; 1629-1643
Eeuwout Aertsz. Verschoor; 1636-1656
Cornelis Hendricxsz. van der Houp; 1637-1641
Sebastiaen Pietersz. Craennendoncq; 1639-1641
Symon Willems Noortdijck; 1642-1651
Adriaen Gerritsz. Boots; 1642-1671
Pieter Dammissz. Compeer; 1645-1669
Dirck Bastiaensz. den Boer; 1649-1666
Jan Florisz. Verschoor; 1653-1659
Allert Crijnen Jonckint; 1653-1680
Arijen Gerritsz. Mijnlieff; 1661-1691
Adriaen Prins; 1667-1669
Huijgh Pietersz. Craennendonck; 1667-1680
Gerrit Bastiaensz. Craennendonck; 1671-1678
Jhr.Cornelis de Roovere; 1679-1707
Arije Dircxsz. van der Leek; 1679-1691
Inghen Bastiaensz. Kranendonck; 1681-1697
Huijgh Ariensz. Boots; 1681-1697
Ernestus de Bevere; 1692-1721
Adriaen Prins; 1696-1705
Cornelis van Lieshout; 1698-1721
Willem de Graeff; 1699-1721
Fop Ariense Mijnlieff; 1705-1728
Willem van Zijl; 1707-1715
Kornelis Drogendijk; 1715-1726
Jop Robben; 1721-1744
Frank van Es; 1721-1749
Cornelis Houmes; 1724-1759
Johannes van Lieshout; 1726-1735
Johannes Anthonij van der Lek; 1730-1741
Hendrik van der Chingel; 1739-1772
Hendrik
Secretarissen
Pieter Hendricksz; 1578-1600
Pieter Pietersz. van Golen; 1606-1653
Adriaen Pietersz. van Golen; 1653-1695
Dirck van der Lek; 1695-1726
Willem van der Lek; 1726-1765
Dirk van der Lek; 1766-1787
Anthonij Tijken Pietersz; 1787-1805
Gerrit Zwart; 1805-1858
Penningmeesters
Wit Lauweris; 1569-1571
Gijsbrecht Adriaensz; 1577-1580
Jan Jansz. int Velt; 1580-1582
Pieter Diericxsz; 1582-1583
Dammis Jansz; 1589-1590
Pieter Woutersz; 1591-1592
Adriaen Robrechtsz; 1593-1594
Cornelis Pietersz; 1597-1600
Adriaen Aertsz. Hacke; 1603-1606
Willem Jacobsz; 1606-1607
Pieter Woutersz; 1610-1612
Jan Jansz. de Jonge; 1612-1615
Sebastiaen Pietersz. Craennendoncq; 1615-1623
Willem Lenertsz. Arijswaeger; 1623-1625
Pieter Huijgensz. Craennendoncq; 1627-1633
Eewout Aertsz. Verschoor; 1633-1635
Pieter Dircxsz. de Wit; 1635-1637
Symon Willemsz. Noortdijck; 1637-1639
Cornelis Hendricxsz. van der Houp; 1639-1641
Ploen Ploennen Verschoor; 1641-1643
Ploen Cornelisz; 1643-1645
Jacob Arensz. Vinck; 1645-1647
Arijen Jacobsz. Gelttelder; 1647-1649
Pleun Pietersz. Craennendoncq; 1649-1651
Euwout Aertsz. Verschoor; 1651-1653
Huijgh Pietersz. Craennendoncq; 1653-1655
Pieter Dammissz. Compeer; 1655-1657
Aldert Crijnen; 1657-1659
Dirck Bastiaensz. Boer; 1659-1661
Arijen Gerritsz. Mijnlieff; 1661-1665
Jacob Willemsz. Verschoor; 1665-1689
Willem Jacobsz. Verschoor; 1689-1697
Dirck van der Lek; 1697-1727
Willem van der Lek; 1727-1780
Dirk van der Lek; 1780-1787
Hendrik Kooijman; 1820-1833
Jan Kooijman Hzn; 1833-1845
Jan Molenaar; 1845-1858
Dijkgraven en hoogheemraden van de polder Karnemelksland
Dijkgraven
Jan Willemsz. van Schilpoort; 1570-1571
Willem van der Duyn; 1615-1629
Willem Canter; 1631-1637
Dirck van der Wolff; 1639-1641
Adriaen van Vredenburch; 1643-1651
Gerrit Visch; 1653-1681
Jacob de Langhe; 1683-1718
Adriaen Prins; 1719-1786
Bastiaan Eenhoorn; 1803
Bastiaan Kleyne; 1833-1840
Jan van Galen; 1841-1858
Hoogheemraden
Jhr. Abraham van Almonde; 1571
Cornelis Cornelisz. de Bije; 1571
Dirck Wittensz; 1597-1631
Wouter Heindricxsz; 1597-1621
Cornelis Adriaensz. Huyser; 1615
Dirck van der Wolff; 1619-1637
Cornelis Woutersz. Verduijn; 1627-1647
Geeraert Meuxe Visch; 1633-1637
Pieter Dircksz. de Wit; 1633-1657
Christiaen van der Goes; 1637-1653
Willem Canter; 1639-1669
Dirck van der Wolff; 1643-1657
Adriaen Besemer; 1653-1657
Reijnier van der Wolff; 1657-1679
Dirck Aertsz. Verschoor; 1659-1685
Jacob van Vredenburch; 1659-1675
Jacob Willemsz. Verschoor; 1671-1689
Johan van der Linde; 1681-1699
Gerrit van Vredenburch; 1685
Anthonij van Berckel; 1687-1695
Hendrick Dammissz. Commijs; 1697-1725
Arij Commijs; 1726-1739
Herman Eenhoorn; 1739-1760
Arij Swael; 1761-1762
Pouwels Eenhoorn; 1762-1773
Krijn Eenhoorn; 1775-1787
Dirk de Man; 1782
Cornelis Zoeteman; 1786
Cornelis Oudraad; 1803
Jan van der Vurm; 1833-1855
Jacob Noordzij; 1856-1858
Dijkgraven en laagheemraden van de polder Varkensoord
Dijkgraven
Bastiaan Kleyne; 1820-1840
Cornelis Verzeveld; 1841-1853
Pieter Kooijman; 1854-1858
Laagheemraden
Leendert Klootwijk; 1820
Hendrik Kooijman; 1820-1833
Johan A. Slavenburg; 1820-1835
Aart Veldhoen; 1820-1843
Jan Piek; 1827
Jan van der Vurm; 1833-1853
Jan Hendriksz. Kooijman; 1833-1845
Cornelis Verzeveld; 1835-1841
Arie Klootwijk; 1845-1858
Pleun Kooijman; 1845-1858
Dirk Molenaar; 1845-1858
Dijkgraven en laagheemraden van de polder Karnemelksland
Dijkgraven
Bastiaan Kleyne; 1833-1840
Jan van Galen; 1841-1858
Laagheemraden
Jan van der Vurm; 1833-1855
Jacob Noordzij; 1856-1858
Secretarissen en penningmeesters van de gecombineerde polders Varkensoord en Karnemelksland
Secretarissen
Gerrit Zwart; 1820-1858
Penningmeesters
Ploen Diericksz; 1584-1586
Willem Pietersz. Cranendonck; 1587-1589
Dierick Wittensz; 1589-1591
Pieter Harmensz. Swael; 1591-1593
Cornelis Andriesz. Munter; 1593-1595
Johan Huijgensz; 1596-1597
Daramis Jansz; 1597-1599
Ploen Diericxsz. Verschoor; 1599-1601
Pieter Woutersz; 1602-1603
Cornelis Arensz; 1603-1605
Adriaen Cornelisz; 1605-1607
Hugo Pietersz. Craennendonck; 1607-1609
Wouter Heindricxsz; 1609-1611
Adriaen Aertsz. Hacke; 1611-1613
Jan Huybrechtsz; 1615-1617
Willem Jacobsz; 1617-1619
Querijn Allertsz; 1619-1621
Cornelis Adriaensz. Huyser; 1621-1623
Ploen Ploennen Verschoor; 1623-1625
Claes Cornelisz; 1625-1628
Dirck Woutersz. Verduijn; 1628-1630
Pieter Andriesz. Munter; 1630-1632
Adriaen Gerritsz. Boots; 1632-1634
Dammis Pietersz; 1634-1637
Heindrick Jansz. int Velt; 1637-1639
Adriaen Gerritsz. Mijnlieff; 1639-1641
Leendert Claesz. Moelenaer; 1641-1643
Pieter Bastiaensz. Cranendoncq; 1643-1645
Allert Harbartsz; 1645-1647
Leendert Heindricxsz. int Velt; 1647-1649
Sijmon Willemsz. Noortdijck; 1649-1651
Cornelis Woutersz. Verduijn; 1651-1653
Arijen Pietersz. Swael; 1653-1655
Jan Florisz. Verschoor; 1655-1657
Dirck Dammissz. van der Heul; 1657-1658
Arijen Cornelisz. Breur; 1659-1661
Dirck Bastiaensz. Boer; 1661-1663
Leendert Pietersz. Cruijt; 1663-1665
Heindrick Dammissz. de Wit; 1665-1668
Arijen Aertse; 1668-1669
Gerrit Bastiaensz. Craennendonck; 1669-1671
Cornelis Roockusse; 1671-1673
Huijgh Ariense Boots; 1673-1675
Huijgh Pietersz. Kranendonk; 1675-1677
Jacob Ariense Swael; 1677-1679
Ploen Pietersz. Kranendonk; 1679-1680
Heindrick Leendertse Drogendijck; 1681-1683
Arije Cornelisz. Verduijn; 1683-1685
Willem Bastiaensz. den Boer; 1685-1687
Bastiaen Pietersz. Sevenbergen; 1687-1691
Willem Cornelisz. de Graeff; 1691-1695
Jan Willemsz. Tuijnder; 1695-1697
Willem van Zijl; 1697-1701
Jan Jansz. Kleijne;
Bestuursleden van de polder Varkensoord en Karnemelksland
Dijkgraven
P. Kooijman; 1859-1884
F. van der Vorm Ozn; 1884-1898
T. Kooijman; 1898-1910
F. van der Vorm; 1911-1922
A.N. Vaandrager; 1922-1949
F.W.H. van Beuningen; 1949-1955
H.C. Kranenburg; 1955-1957
Heemraden
J. Noordzij; 1859-1890
Kr. van der Vurm; 1859-1879
L. Zwart; 1859-1877
D. Molenaar; 1859-1864
C.A. Molenaar; 1864-1899
M. Groenenboom; 1878-1907
F. van der Vorm Ozn; 1879-1884
T. Kooijman; 1884-1898
W. Noordzij Jzn; 1891-1912
A.L. van der Vorm; 1898-1900
J.D. Uijterlinde; 1900-1931
W. Veldhoen; 1900-1922
K.B. Groenenboom; 1907-1911
A. Kleinjan; 1912-1936
A.N. Vaandrager; 1913-1949
Jos. Kooijman; 1931-1941
P.H. Kleinjan; 1937-1941
J.M.C. Koert; 1941-1949
F.W.H. van Beuningen; 1941-1949
H.C. Kranenburg; 1949-1955
G.A.P. van Melle; 1949-1957
Jac. Poot; 1955-1957
Secretaris/penningmeester
J.J. Speelman; 1859-1874
H.L. Waterbeek; 1875-1897
Jos. de Lijster; 1897-1903
T. Plantenga; 1903-1911
P.J. der Weduwen; 1911-1917
P.A. de Lijster Fzn; 1917-1936
Jac. van der Pas; 1937-1957
Bestuursleden van het Waterschap voor de gemeenschappelijke belangen van de polders Varkensoord en Karnemelksland, de Hille en Katendrecht
Voorzitters
P. Kooijman Jzn; 1867-1884
F. van der Vorm Ozn; 1884-1898
T. Kooijman; 1898-1901
Secretaris-penningmeester
C. van Riet; 1867-1899
Jos. de Lijster; 1899-1901
Geraadpleegde literatuur
Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 13 dln en aanhangsel. Gorinchem, 1839-1851.
Baars, H.L., Grepen uit de geschiedenis van IJsselmonde, s.l., s.a.
Beekman, A.A., Het dijk- en waterschapsrecht in Nederland vóór 1795. Den Haag, 1904-1907.
Beschrijving van de provincie Zuid-Holland behorende bij de waterstaatskaart. 's-Gravenhage, 1967.
Bilderbeek, W.H. van, Geschiedenis der polders Oud- en Nieuw-Reyerwaard, de wijze van bemaling der polders, benevens hunne bestuurders. Dordrecht, 1914.
Boom, H. ten en Woelderink, B., Inventaris van het oud archief van de stad Rotterdam, 1340-1823. 2 dln. Rotterdam, 1976.
Eyck, Jacob van der, Handvesten, Privilegiën, Costumen ende Ordonnantiën van den Landen van Zuyt-Hollandt. Dordrecht, 1628.
Gottschalk, M.K. Elisabeth, Stormvloeden en rivier overstroming en in Nederland. 3 dln. Assen/Amsterdam, 1971-1977.
Gouw, J.L. van der, De Ring van Putten. : Zuid-Hollandse Studiën, XIII. 's-Gravenhage, 1967.
Hazewinkel, H.C., "Feyenoord" .: Rotterdamsch Jaarboekje, 4e reeks, V. 1939; VI. 1938; VII. 1939.
Hoek, C., Een eiland in de delta. Rotterdam, 1973.
Mieris, F. van, Groot Charterboek der graaven van Holland, van Zeeland en heeren van Vriesland... . 4 dln. Leiden, 1753-1755.
Nieuwenhuis, J.G.B., Catalogus van de handschriftenverzameling (der Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam), 2 dln. Rotterdam, 1970.
Nieuwenhuis, J.G.B., Inventaris der archieven van de voormalige gemeente IJsselmonde, 1552-1941 en de archieven van de ambachtsheerlijkheden Oost- en West-IJsselmonde en Lombardijen, 1435-1923. Rotterdam, 1979.
Ollefen, L. van, De Nederlandsche Stad- en Dorp-Beschrijver, I. Amsterdam, 1793.
Ommeren, H.R. van, Het archief en de handschriften van de grondheerlijkheid "Charlois en annexe polders", 1460-1887. Rotterdam, 1964.
Oorkondenboek van Holland en Zeeland, L.P.C. van den Bergh, ed. 2 dln. 's-Gravenhage, 1873.
Ramaer, J.C., Geographische Geschiedenis van Holland
Geschiedenis van het archief
Inhoud en structuur van het archief
Verantwoording
Geschiedenis van de ordening en de beschrijving
Aanwijzingen voor de gebruiker
Opmerkingen openbaarheidsbeperkingen
Bijlagen
Aantekening
Beschrijving van de series en archiefbestanddelen
Kenmerken
Beschrijving:
Inventaris van de archieven van de polders onder de voormalige gemeente IJsselmonde, 1444-1973
Auteur:
J.G.B. Nieuwenhuis
Plaats van uitgave:
Rotterdam
Jaar van uitgave:
2007
Archiefvormers:
Polder De 68 Morgen "De Laagjes"
Overheid of particulier:
Overheid
Trefwoorden:
Geografische namen:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS

Ontworpen door Henk Kuiper Webs

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op "toestaan cookies" om u de beste surfervaring mogelijk te maken. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten